Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/5.2.1
5.2.1 Strikt grammaticale analyse: onbehoorlijke taakvervulling impliceert reeds ‘verwijtbaar’
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS352198:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Loth 1991, p. 82.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 3-4.
Van der Ven 1973.
Van der Ven 1973. Met een ‘gerationaliseerde term’ wordt mijns inziens bedoeld een term die een bepaalde juridisch-rationele betekenis heeft gekregen die niet direct uit een strikt taalkundige beschouwing daarvan is af te leiden.
Tot die conclusie kwamen Assink en Olden in 2005 overigens min of meer ook, hoewel zij dat genuanceerder brachten. Zie: Assink & Olden 2005, p. 9 en 16: “Nu de Hoge Raad niet bepaalt dat de toets die het gerechtshof aanlegt ‘dubbelop’ is en op die grond onjuist, blijft in het midden wat nu de verhouding is tussen ‘ernstig verwijt’ en ‘onbehoorlijke taak vervulling’. (…) Onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW laat zich vertalen als en staat dus gelijk aan ernstig verwijtbaar bestuurlijk gedrag”. Dat Assink ook in 2014 nog – mijns inziens terecht – meende dat de termen ‘ernstig verwijt’ en ‘onbehoorlijke taakvervulling’ in elkaar opgingen, blijkt uit de reactie van Assink op de suggestie van Huizink om art. 2:9 BW zo te wijzigen dat daarin komt te staan dat aansprakelijkheid ontstaat indien sprake is van “ernstig onbehoorlijke taakvervulling”. Assink stelde dat deze suggestie gewoonweg niet past in de mechaniek van art. 2:9 BW omdat het “in wezen een pleonasme is (een ernstig verwijt leidt immers tot onbehoorlijk bestuur)”. De suggestie zou daarom “geen verbetering” zijn en “veeleer vertroebelend” werken, aldus Assink. Ik zou menen dat het enkel gebruik van de term ‘ernstig verwijt’ reeds vertroebelend werkt. Als het bovendien in de wet een pleonasme vormt, dan vormt het dat ook in de rechtspraak. Zie over het voorgaande: hoofdstuk 8 en de daarin genoemde bronnen.
Grammaticaal gezien hoeft de term ‘onbehoorlijk’ in het normale spraakgebruik niet per se tevens te impliceren dat een persoon een verwijt treft. Onbehoorlijk heeft iets afstandelijks in zich: het gaat om de gedraging zelf en niet om de persoon die de gedraging heeft verricht. De term ‘verwijt’ en zeker de term ‘ernstig verwijt’ zien juist wel op de persoon. De term ‘verwijtbaar’ betekent (volgens de Van Dale) dat een handelen iemand is aan te rekenen, iemand is kwalijk te nemen. Grammaticaal wijkt de term ‘ernstig verwijt’ mijns inziens af van de term ‘onbehoorlijk’. Maar dit is natuurlijk wat simpel geredeneerd. Daarom is het goed stil te staan bij de door Loth geformuleerde methodologische regels die relevant zijn bij een grammaticale interpretatie (zie par. 2.4.2). Deze regels luidden onder meer:
“Gebruik woorden en zinnen zoveel mogelijk overeenkomstig de in de desbetreffende context gangbare betekenis, en expliciteer afwijkende betekenisgeving.”
En:
“Interpreteer woorden en zinnen zoveel mogelijk overeenkomstig de in de desbetreffende context gangbare betekenis, tenzij de taalgebruiker afwijkende betekenisgeving heeft ge ë xpliciteerd.”1
Beschouwt men de wetsgeschiedenis dan blijkt dat de wetgever, die de taalgebruiker is in de zin dat de wetgever de taal van de wet bepaalt, heeft geëxpliciteerd dat in de term ‘onbehoorlijk’ tevens ‘verwijtbaarheid’ moet worden gelezen (zie par. 3.7.4). Gelet op de negatieve connotatie die de term ‘onbehoorlijk’ heeft, is dat taalkundig ook te verdedigen. Betoogd zou kunnen worden dat de Hoge Raad bij de introductie van de ernstigverwijtmaatstaf zich hierop heeft gebaseerd en dat de ernstigverwijtmaatstaf ingelezen zou moeten worden in de behoorlijke taakvervullingsnorm. Dat heeft wetshistorisch echter geen sterke basis. De term ‘verwijtbaarheid’ komt in de wetsgeschiedenis maar een enkele keer terug, namelijk waar de wetgever duidelijk wilde maken dat de bestuurder niet iets verweten kan worden op basis van hindsight bias (zie par. 3.7.4). Tegelijkertijd merkte de wetgever uitdrukkelijk op dat de “grijze zone”, en het gegeven dat de rechter bij de beoordeling van het handelen van de bestuurder niet op de stoel van de bestuurder mag plaatsnemen, niet ertoe mag leiden dat de toets voor aansprakelijkheid wordt verzwaard in de zin dat alleen in “uitzonderlijke” gevallen sprake kan zijn van aansprakelijkheid (zie par. 3.7.8).2 Als de bestuurder een verwijt van onbehoorlijke taakvervulling kan worden gemaakt, heeft de wetgever gelet op het voorgaande nadrukkelijk niet beoogd aansprakelijkheid eerst te doen ontstaan als dat verwijt ‘ernstig’ (vgl. de term ‘uitzonderlijk’) genoeg is.
Daarbij is van belang dat onze hedendaagse rechtscultuur sterk gebonden is aan geschreven en dus bedachte en gerationaliseerde vormen.3 Dit noopt tot een consequent gebruik van (de institutionele beroeps)taal (zie par. 2.2). Het lijkt rationeel-grammaticaal in dit kader niet logisch naast, of in plaats van, de door de wetgever bedachte en gerationaliseerde4 term ‘onbehoorlijk’ (waarin de term ‘verwijtbaar’ juist ingelezen moest worden), de term ‘ernstig verwijt’ te hanteren. Dat is dubbelop5 of het is – door de toevoeging van de term ‘ernstig’ – een verzwaring van de term ‘onbehoorlijk’ naar ‘ernstig onbehoorlijk’. Op grond van een grammaticale analyse zou men gezien het voorgaande tot de conclusie moeten komen dat geen grammaticaal-rechtstheoretische rechtvaardiging leek te bestaan om de ernstigverwijtmaatstaf te hanteren bij de toepassing van art. 2:9 BW (oud).