Misleidende beursberichten
Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.9.2:7.9.2 Twee verschillende scenario’s
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.9.2
7.9.2 Twee verschillende scenario’s
Documentgegevens:
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655879:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Fisher 1997, p. 60-63.
Op dit tweede scenario – of althans op een scenario dat daarmee vergelijkbaar is – lijkt de deskundige van de eisende beleggers zich te beroepen bij het aantonen van de koersinvloed van de litigieuze mededelingen in de Amerikaanse zaak In re Finisar Corporation Securities Litigation, 2017 WL 6026244, at *7 (N.D. Cal. Dec. 5, 2017).
Vgl. Fisher 1997, p. 41.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de hier bedoelde interferentie kunnen grofweg twee scenario’s worden onderscheiden.1 Ten eerste is dat het scenario waarin toen de misleiding begon, de premium zich reeds had gevormd, maar waarin (kan worden vastgesteld dat) deze zonder de misleiding (eerder) zou zijn weggeëbd. In dit scenario heeft de misleiding er dus voor gezorgd dat een ‘wake up call’ ten aanzien van (de aanwezigheid van) het analyst-added premium-effect vooralsnog is uitgebleven. Zonder de misleiding zouden de analisten hun verkeerde voorspelling (tijdig) hebben bijgesteld of zou de markt (op eigen kracht) erachter zijn gekomen dat de eerdere voorspelling te rooskleurig was. Ten tweede is dat het scenario waarin de premium zich tijdens het tijdvak van de misleiding heeft gevormd, maar waarin (kan worden vastgesteld dat) dit zonder de misleiding niet zou zijn gebeurd. In dit scenario heeft de misleiding dus als het ware het klimaat gecreëerd waarin het premium-effect kon ontstaan.2 Zonder de misleiding zouden de beleggers de te rooskleurige analistenvoorspelling met een korreltje zout hebben genomen. Of zonder de misleiding zouden de analisten in het geheel geen voorspelling hebben gepubliceerd, dan wel zouden zij in ieder geval een minder rooskleurige voorspelling hebben gepubliceerd. Beide scenario’s heb ik hieronder in figuur 11 respectievelijk figuur 12 grafisch weergegeven.
Figuur 11
Figuur 12
In beide scenario’s spelen zowel bewijsrechtelijke als materieelrechtelijke problemen. Een lastig bewijsrechtelijk probleem is dat het nogal eens zal voorkomen dat – naar aanleiding van het bekend worden van de misleiding – het premium-effect tegelijkertijd met de (eigenlijke) koersinflatie uit de koers loopt. In de praktijk blijkt het lastig beide effecten van elkaar te onderscheiden en dat leidt dan tot extra onzekerheid bij het vaststellen van de (omvang van de) door de misleiding veroorzaakte koersschade.3 Een lastig materieelrechtelijk probleem is (het antwoord op de vraag) of (de vorming van) het premium-effect op de voet van art. 6:98 BW aan de vennootschap kan worden toegerekend, en of de premium – bovenop het bedrag van de koersinflatie – voor vergoeding in aanmerking komt. Deze vraag wordt hierna voor beide scenario’s achtereenvolgens beantwoord.