Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/13.8.6:13.8.6 MvA II Invoeringswet
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/13.8.6
13.8.6 MvA II Invoeringswet
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS484830:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat in het VV II Invoeringswet,1 naar aanleiding van geschriften van Van Mourik,2 Schoordijk3 en Van Velten4, 5 nogmaals de problematiek van het al dan niet gewenst of noodzakelijk zijn van de notariële akte aan de orde was gekomen ging de Minister om.
Nadat de Minister heeft opgemerkt dat hij het eens is met de stelling dat het ontstaan van mandeligheid door een enkele overeenkomst tot praktische moeilijkheden zal leiden geeft hij als reden voor zijn koerswijziging:
‘omdat de eigenaren van de betrokken erven zich er vaak niet bewust van zullen zijn dat zij aldus zakenrechtelijke gevolgen in het leven roepen, die bij vervreemding of bezwaring zowel van hun eigen erf als van dat van één der betrokken buren ook de rechtsopvolger binden, zulks met alle gevolgen vandien met betrekking tot de waarde van die erven en de noodzaak van de voortzetting van de geschapen rechtsverhouding met anderen dan de contractspartners.’6
Aan de totstandkoming van mandeligheid wenst de Minister vervolgens dezelfde eisen te stellen als aan de levering 3.4.2.4.7
‘In de nieuwe opzet heeft artikel 5.5.1 derhalve nog slechts deze functie dat de gemeenschappelijke eigendom, die reeds lang de weg van artikel 3.4.2.4 tot stand kan worden gebracht, door de bestemming tot gemeenschappelijk nut kan worden gemaakt tot mandelige eigendom, met onder meer als gevolg dat door het toepasselijk worden van artikel 5.5.3 een afhankelijk recht ontstaat in de zin van artikel 3.1.1.6, verbonden aan de eigendom van elk van de erven in dier voege dat het bij vervreemding van het erf met alle daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen op de verkrijger overgaat, en dat bij bezwaring ook de beperkte gerechtigde, met inachtneming van de aard van zijn recht, daaraan is gebonden.’8
Ten slotte gaat de Minister nog in op de opmerkingen van Stein9 die van mening is dat op de overeenkomst als bedoeld in art. 5.1.1 (GO) via de schakelbepaling van art. 6.5.4.1 de art. 6.5.4.6 e.v. van toepassing zijn.
Naar aanleiding van deze opmerkingen merkt de Minister in de even gemelde Memorie van Antwoord op:
‘het gaat hier thans om een handeling die op één lijn kan worden gesteld met een leveringshandeling, zij het dat hier geen eigendom overgaat, maar een bijzondere vorm van mede-eigendom wordt geschapen. Een overeenkomst van deze aard valt niet onder de omschrijving van art. 6.5.4.1.’10