Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.4.2.4
10.4.2.4 Het in aanmerking nemen van verrekenprijsaanpassingen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258329:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 68.
Zie onderdeel 10.3.7.5 voor de voorwaarden waaronder een verrekenprijsaanpassing in aanmerking genomen moet worden voor het definitief vaststellen van de douanewaarde.
Commentary 4.1 legt de basis voor herzieningsclausules, die het mogelijk maken om de douanewaarde te baseren op de transactiewaarde van de ingevoerde goederen indien voorafgaand aan de invoer contractueel wordt vastgelegd dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs op een prijsformule wordt gebaseerd, waarvan de variabelen pas bekend zijn nadat de goederen ten invoer zijn aangegeven. Zie nader onderdeel 7.3.3.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 68-71. Overigens kan tegengeworpen worden dat de drie (weliswaar niet uitputtende) voorbeelden zoals genoemd in Commentary 4.1 niet verwijzen naar de situatie dat een douanewaarde is gebaseerd op een interne verrekenprijs die mogelijk retroactief wordt aangepast en de opstellers deze situatie ook niet voor ogen hadden bij het opstellen van Commentary 4.1. B. Kim, How to Bridge the Gap Between Transfer Pricing and Customs Valuation, Tax Notes International 71(11), p. 1038. Daar staat echter tegenover dat de situaties zoals geschetst in Commentary 4.1 slechts fungeren als niet-uitputtende voorbeelden en zij, hoewel er geen verwijzing wordt gemaakt naar interne verrekenprijzen, in opzet sterke gelijkenissen tonen met de situatie dat een douanewaarde wordt vastgesteld op een initiële interne verrekenprijs die achteraf wordt aangepast.
Indien de definitieve vaststelling leidt tot een verlaging van de initieel vastgestelde douanewaarde, zou een en ander moeten leiden tot een partiële teruggaaf van betaalde invoerrechten. De internationale wettelijke basis voor de teruggaaf van te veel betaalde invoerrechten zou gevonden kunnen worden in artikel 4.18 Kyoto-overeenkomst.
In Nederland kan onder het DWU zekerheid op de volgende wijze worden gesteld: contante zekerheid, borgstelling en andere vormen van zekerheid (artikel 92 DWU) zoals contant, akte van borgtocht, hypotheek, persoonlijke borgstelling en verpanding.
Zoals volgt uit de Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing en zoals reeds uiteengezet in de onderdelen 10.2.2 en 10.3.7.5, wordt juist door het in aanmerking nemen van bepaalde interne verrekenprijsaanpassingen bij het definitief vaststellen van de douanewaarde, gewaarborgd dat de economische waarde van de ingevoerde goederen wordt gereflecteerd.1 Een en ander hangt wel samen met de vraag om wat voor soort interne verrekenprijsaanpassing het gaat. Indien de interne verrekenprijsaanpassing wordt geïnitieerd door een belastingplichtige en wordt gevolgd door de uitreiking van een debet- of creditfactuur, bestaat de kans dat de betaalde of te betalen prijs met terugwerkende kracht wordt aangetast. Deze kans is kleiner als de verrekenprijsaanpassing bijvoorbeeld door de belastingautoriteiten geïnitieerd worden en enkel ingegeven is om de belastinggrondslag in de aangifte winstbelasting aan te passen.2
Hoewel de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de regel de douanewaarde vormt, kan in Commentary 4.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO het instrument worden gevonden op basis waarvan de douanewaarde op basis van voorlopige prijzen kan worden vastgesteld die op een later moment worden aangepast voor zover daarin in een verkoopcontract is voorzien.3 Dit kan, aldus de Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing, worden vergeleken met de situatie waarbij een douanewaarde gebaseerd is op een interne verrekenprijs en op voorhand vaststaat dat deze interne verrekenprijs op een later moment mogelijk aangepast wordt.4 De wettelijke grondslag in de CVA voor het uitstellen van de definitieve vaststelling van de douanewaarde kan worden gevonden in artikel 13 dat luidt:5
“Indien bij de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen blijkt dat het noodzakelijk is de definitieve vaststelling van deze douanewaarde uit te stellen, kan de importeur zijn goederen niettemin aan het douaneverband onttrekken, mits hij, indien vereist, een toereikende zekerheid stelt – in de vorm van een borgstelling of waarborgsom of op enige andere passende wijze – voor de definitieve betaling van de invoerrechten die voor de goederen verschuldigd kunnen zijn. In de wetgeving van elk Lid worden daartoe strekkende bepalingen opgenomen.”
Artikel 13 CVA geeft weer dat douaneautoriteiten de mogelijkheid hebben om maatregelen te nemen om de inning van invoerrechten zeker te stellen. Dit lijkt bijvoorbeeld een vereenvoudigde invoeraangifte (onvolledige invoeraangifte) te omvatten die na een verrekenprijsaanpassing definitief wordt gemaakt en waarbij de importeur vooraf zekerheid stelt.6 In onderdeel 10.7.4 kom ik nader terug op de maatregelen die in mijn optiek in Europeesrechtelijk douaneverband moeten worden genomen.
Voornoemde evaluatie over of verrekenprijsaanpassingen in aanmerking genomen moeten worden, spitst zich toe op retroactieve verrekenprijsaanpassingen. Zoals in onderdeel 10.3.7 uiteengezet kunnen interne verrekenprijzen ook prospectief worden aangepast. Het doel van de prospectieve verrekenprijsaanpassingen is het voorkomen van een retroactieve verrekenprijsaanpassing aan het einde van de periode. Het hanteren van prospectieve verrekenprijzen neemt met zich dat de gehanteerde verrekenprijzen schommelen gedurende de periode, maar over de gehele periode bezien zakelijk zijn vastgesteld. In onderdeel 10.3.7.5.2 stond ik reeds stil bij de vraag of een dergelijke aanpak douanerechtelijk standhoudt. Ik betrok de stelling dat dit mogelijk zou moeten zijn indien hierover op voorhand afspraken zijn gemaakt tussen de douaneautoriteiten en de importeur in een vaststellingsovereenkomst. Indien over de gehele periode bezien de interne verrekenprijzen in overeenstemming met het arm’s length-beginsel zijn vastgesteld, meen ik dat hieruit ook volgt dat de prijs voor douanedoeleinden niet door de verbondenheid van partijen is beïnvloed. Een en ander kan worden afgeleid uit punt 3 van de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA:
“[…] Zo mag bijvoorbeeld ook worden aangenomen dat de prijs niet is beïnvloed indien wordt aangetoond dat deze kostendekkend is en een winstmarge omvat die representatief is voor de globale winstmarge van de betrokken onderneming over een representatieve periode (bijvoorbeeld op jaarbasis) bij de verkoop van goederen van dezelfde categorie of soort.”