Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.4.1
2.4.1 De trade-off-theorie
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410217:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Modigliani & Miller 1963 (MM2).
Zie voor Nederland bijvoorbeeld Schonis 2006, p. 67-77.
Het deel van de pizza dat naar de overheid gaat wordt niet meegenomen bij de bepaling van de ondernemingswaarde. De waarde van de onderneming is volgens MM1 immers de marktwaarde van het vreemd vermogen plus de marktwaarde van het eigen vermogen (zie Brealy, Myers & Marcus 2007, p. 406).
“It may be useful to remind readers once again that the existence of a tax advantage for debt financing […] does not necessarily mean that corporations should at all times seek to use the maximum possible amount of debt in their capital structures. […] there are, as we pointed out, limitations imposed by lenders, as well as many other dimensions (and kinds of costs) in realworld problems of financial strategy which are not fully comprehended within the framework of static equilibrium models, either our own or those of the traditional variety. These additional considerations, which are typically grouped under the rubric of “the need for preserving flexibility,” will normally imply the maintenance by the corporation of a substantial reserve of untapped borrowing power.” (Modigliani & Miller 1963, p. 442).
Na het verschijnen van het tweede artikel van Modigliani en Miller in 1963 bleven de meeste ondernemingen die omvangrijke (fiscale) winsten rapporteerden, zich financieren met veel eigen vermogen. Zolang de theorie niet correspondeerde met de praktijk, zag de wetenschap zich genoodzaakt haar verder te ontwikkelen. In de woorden van Myers: “It does no good to say (without further explanation) that managers are “excessively conservative” or “not value-maximizing.” That amounts to blaming managers, rather than economists, for the failure of the economists’ theory” (Myers 2001, p. 89).
Kraus & Litzenberger 1973.
Boot 2005, p. 144.
Brealy, Myers & Marcus 2007, p. 414.
De trade-off theorie heeft sinds haar geboorte dan ook aan de nodige kritiek blootgestaan. Zie Miller 1988 en Myers 1984.
Aldus Ferran 2008, p. 63 en Brealy, Myers & Marcus 2007, p. 414.
De fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen heeft Modigliani en Miller ertoe genoopt hun indifferentietheorie in 1963 van een belangrijke nuance te voorzien.1 Eigen vermogen en vreemd vermogen zijn voor de fiscus geen gelijken. De vergoeding over het eigen vermogen, te weten de uitkering van dividend, is niet aftrekbaar van de fiscale winst van de vennootschap.2 Daarnaast is de vennootschap over uitgekeerde dividenden dividendbelasting verschuldigd. De rentebetalingen over vreemd vermogen worden daarentegen beschouwd als door de vennootschap gemaakte (bedrijfs)kosten. Deze zijn daarom aftrekbaar van de fiscale winst van de vennootschap en drukken zo haar verplichting jegens de fiscus. Een belasting verschuldigde vennootschap die een extra euro aan rente betaalt, wordt daarvoor dus gedeeltelijk gecompenseerd door een ‘interest tax shield’, in de vorm van een belastingkorting. Financiering met vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen verhoogt daarom het rendement na belastingen, en zo de ondernemingswaarde. 3 Omdat de verschaffers van het vreemd vermogen een gefixeerde claim hebben op de kasstromen van de vennootschap, komt het uit het tax shield voortvloeiende voordeel ten goede aan de verschaffers van het eigen vermogen: de aandeelhouders dus.
Uit de gecorrigeerde theorie van Modigliani en Miller lijkt te volgen dat winstgevende vennootschappen zich het beste volledig met vreemd vermogen kunnen financieren. Deze vergaande gevolgtrekking wordt in de conclusie van hun artikel echter direct genuanceerd, waarbij gewezen wordt op de ‘andere kosten’ die aan de financiering met vreemd vermogen inherent zijn en die niet in de analyse zijn verdisconteerd.4 De bedrijfseconomische wetenschap is op zoek gegaan naar die ‘andere kosten’,5 en in de jaren ‘70 vloeit uit deze zoektocht de trade-off- theorie voort.6 Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat financiering met vreemd vermogen kosten van financial distress meebrengt. Deze kosten bestaan niet alleen uit de kosten die voortvloeien uit insolventie (zoals de kosten van de curator, advocaten etc.), maar tevens uit de kosten die voortvloeien uit het toegenomen insolventierisico.7 Het gaat daarbij om kosten ten gevolge van de afname van het vertrouwen dat derden hebben in de financiële gegoedheid van de onderneming, zoals het verlies van klanten en leveranciers, en de strengere voorwaarden van kredietverstrekkers. Daarnaast bestaat het risico dat het bestuur van de vennootschap uit vrees voor de gevolgen van een eventuele insolventie te voorzichtig wordt en zo waardevolle investeringsmogelijkheden onbenut laat.
Uit de trade-off-theorie volgt dat de onderneming bij haar beslissing om vreemd vermogen aan te trekken het fiscale voordeel moet afwegen tegen de kosten van financial distress.8 Financiering met vreemd vermogen is lucratief zo lang de marginale belastingvoordelen opwegen tegen de marginale kosten van financial distress. Volgens deze theorie bestaat er daarom een optimale kapitaalstructuur, zij het dat de kosten van financial distress onmogelijk te berekenen zijn en daarom een economisch model om de ideale kapitaalstructuur te bepalen, ontbreekt.9 Volgens sommige economen kan de trade-off-theorie niettemin als verklaring dienen voor het feit dat volwassen vennootschappen met stabiele kaststromen gemiddeld met meer vreemd vermogen gefinancierd zijn dan ondernemingen met weinig materiële activa en een groeiperspectief.10