Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.3.1
5.3.1 Inleiding
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186834:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie A. van Hees 1989, hoofdstuk IV, i.h.b. p. 105-109 en Fransis 2017, deel II. Die voorstellen liggen bovendien op één lijn, zie Fransis 2017, nr. 280.
Zie nader par. 5.4.
A. van Hees 1989, hoofdstuk IV, i.h.b. p. 105-109.
Fransis 2017, deel II, hoofdstuk VII.
Fransis duidt deze aan als achterstellingen van het eerste en tweede type. Zie Fransis 2017, nr. 89.
Fransis noemt dit achterstellingen van het derde respectievelijk vierde type. Zie Fransis 2017, nr. 89.
163. Een eigenlijke achterstelling verlaagt de rang van het verhaalsrecht dat is verbonden aan de juniorvordering. Daarom kan op grond van de hiervoor uiteengezette kwaliteiten van het verhaalsrecht en de rang daarvan de eigenlijke achterstelling nader worden gekwalificeerd.
Deze paragraaf doet een voorstel voor kwalificatie van de eigenlijke achterstelling als aanpassing van de derdenwerkende elementen van het verhaalsrecht van de juniorschuldeiser. Dit voorstel bouwt voort op de eerder door A. van Hees en Fransis voorgestelde kwalificaties.1
A. van Hees kwalificeert de eigenlijke achterstelling als een rechtsfiguur van eigen aard, te onderscheiden van derdenbedingen, voorwaardelijke vorderingen of een vorm van afstand van recht.2 In de kwalificatie van Van Hees geeft de eigenlijke achterstelling de juniorvordering nader vorm, maar Van Hees duidt beperkt op welke manier de eigenlijke achterstelling de juniorvordering vorm geeft, in het bijzonder onder het huidige Burgerlijk Wetboek.3 Waar mogelijk worden hierna de verschillen aangeduid tussen de hier voorgestelde kwalificatie en die van Van Hees.
Ook Fransis kwalificeert de eigenlijke achterstelling als een figuur van eigen aard, of nauwkeuriger, als verschillende figuren van eigen aard. Fransis maakt bij zijn kwalificatie onderscheid naargelang de relatie waarin de achterstelling overeen is gekomen.4 De hier verdedigde kwalificatie stemt op verschillende punten overeen met Fransis’ kwalificatie van een achterstelling overeengekomen tussen de junior en de schuldenaar, of tussen de junior de schuldenaar en de senior.5
De hier voorgestelde kwalificatie verschilt meer van Fransis’ kwalificatie van achterstellingen die zijn overeengekomen tussen de junior en de senior zonder betrokkenheid van de schuldenaar en van Fransis’ kwalificatie van eenzijdige achterstellingen.6 Dergelijke achterstellingen en de verschillen tussen de hier voorgestelde kwalificatie daarvan en Fransis’ opvatting komen nader aan bod in de paragrafen 5.5.2 en 5.5.3.