Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/5.5
5.5 Heffingsgrondslagen onroerende-zaakbelasting met ingang van 1 januari 1995
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350376:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 15 december 1994, Stb. 874, Kamerstukken 22885.
Vergelijk tevens Ch.P.A. Geppaart, Onroerende zaken als voorwerp van belasting, Weekblad 1993/6051, blz. 589-590.
Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 22885, nr. 32. Brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gedateerd te Den Haag op 7 december 1994.
Regeling van 23 december 1994, Stcrt. 252, regelingnummer WV94/552M.
Ministeriële regeling van 3 februari 1995, nr. WV 95/42 M, Stcrt. 31, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken/ Directie Wetgeving Verbruikersbelastingen.
Als waardegrondslag met betrekking tot onroerende zaken (niet zijnde woningen) geldt thans de hoogste van de marktwaarde of de gecorrigeerde vervangingswaarde. Met ingang van 1 januari 1995 zijn de bijzondere bepalingen betreffende de onroerende-zaakbelastingen opgenomen in de art. 220-220h van de Gemeentewet (waarbij deze wijzigingen tot stand zijn gekomen bij Wet van 21 oktober 1994, Stb. 762).
Conclusie: Op basis van de herziene wetgeving kan goeddeels worden aangenomen dat de problematiek van het Billiton/Veendam-arrest tot het verleden behoort. Daarbij dient wel van de veronderstelling te worden uitgegaan dat de marktwaarde van de onroerende zaak hoger is dan de gecorrigeerde vervangingswaarde die is afgeboekt tot op de bedrijfswaarde.
De waardebepaling van onroerende zaken onder meer ten behoeve van de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting is sinds 1 januari 1995 vastgelegd in de Wet waardering onroerende zaken (WOZ)12. De WOZ vindt géén toepassing voor de heffing van de vennootschapsbelasting alsmede de winstsfeer voor zover die valt onder de inkomstenbelasting. Blijkens art. 17, tweede lid van deze wet is uitgangspunt de waarde in het economische verkeer waarbij evenwel de gecorrigeerde vervangingswaarde maatgevend is voor zover deze hoger is dan de waarde in het economische verkeer.
Tijdens de parlementaire behandeling3 is omtrent het begrip gecorrigeerde vervangingswaarde onder meer het volgende opgemerkt:
`De leden van de CDA-fractie hebben voorts de vraag gesteld waarom bij de gecorrigeerde vervangingswaarde geen rekenregels worden gehanteerd.
In de Waarderingsinstructie worden rekenregels gegeven voor het bepalen van de correctiefactoren wegens technische en functionele veroudering. De factor voor technische veroudering kan berekend worden uit het bouwjaar en (resterende) levensduur. De factor voor de functionele veroudering kan eveneens rekenkundig worden afgeleid uit een aantal deelfactoren.
Het is niet mogelijk in de Waarderingsinstructie een precieze getalsmatige omschrijving te geven van de wijze waarop bij de waardering van bedrijfspanden rekening moet worden gehouden met de bedrijfseconomische situatie in een bedrijfstak. Per bedrijfstak, per regio kan deze correctie voor functionele veroudering immers verschillen. Wel is in de Waarderingsinstructie in algemene termen aangegeven dat de omstandigheden in de branche (economische veroudering) een rol spelen bij het bepalen van die factor functionele veroudering, waarbij tevens de elementen zijn aangegeven die bepalend zijn voor die factor.'
Blijkens het vierde lid van art. 4 Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken4 dient bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde een zodanige factor voor functionele veroudering te worden toegepast, dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van die onroerende zaak rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.
In art. 5 van voormelde Uitvoeringsregeling is verwoord dat de gemeente ten behoeve van de waardebepaling een referentiestelsel dient vast te stellen. Dit referentiestelsel bestaat uit onroerende zaken met een vastgestelde waarde en uit kengetallen.
Ook zijn ingevolge art. 6 van de Uitvoeringsregeling modellen voor taxatie-verslagen van woningen en niet-woningen vastgesteld. Opvallend is daarbij dat in deze modellen met geen woord over het begrip `bedrijfswaarde' wordt gerept.
In de Uitvoeringsregeling vakbekwaamheidseisen Wet waardering onroerende zaken5 is opgenomen dat de betrokken taxateurs over kennis dienen te beschikken van de economische factoren die van belang zijn voor de waarde van niet-woningen (art. 3). Aanwijzingen hoe in concreto de bedrijfswaarde van een pand moet worden bepaald alsmede welke specifieke deskundigheid van de zijde van de taxateurs daarvoor moet worden tentoongespreid ontbreken evenwel.