Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/8.4.1
8.4.1 Rechtseconomische analyses impliceren normatieve uitspraken over het recht
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580251:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. Bumma (2004), Franken (2004b), Croes/Niemeijer (2005), Tjittes (2005), p. 18801881, Nieuwenhuis (2005), Korthals Altes (2005), p. 893-895. Voorts, van iets minder recente datum, Gaakeer/Kerkmeester (1997), p. 19-52, met verdere verwijzingen. In het bijzonder vanuit het (Nederlandse) vennootschapsrechtelijke perspectief, Timmerman (2004a), p. 1630 en Timmerman (2004b), p. 5-7. Wat betreft de buitenlandse literatuur kan met name worden gewezen op de kritiek vanuit 'behavioral (law &) economics', waaronder Sunstein (2000), Korobkin/Ulen (2000) en Korobkin (2001). Zie ten slotte Beinhocker (2006), die op toegankelijke en intrigerende wijze een kritische beschrijving van de wetenschap 'economie' (in algemene zin) geeft.
In deze zin Tjittes (2005), p. 1880.
Aldus Tjittes (2005), op p. 1880.
Vgl. de omschrijving die Korthals Altes geeft in zijn boekbespreking van Vrankens' Vervolg in Korthals Altes (2005), p. 893-894.
Vgl. Holzhauer/Teijl (1995), p. 3, die opmerken dat 'de rechtseconomie een empirische wetenschap [is] waarin geen plaats is voor het poneren van (...) waardeoordelen'. Zie voorts de beschrijving in Gaakeer/Kerkmeester (1997), op p. 38-39, van de verdediging van hetzelfde standpunt door De Geest. Ook Visscher en Van den Bergh lijken (nog steeds) te betogen dat de rechtseconomie een (puur) positieve wetenschap is, die kan worden onderscheiden van het normatieve debat. Volgens hen bestaat '[d]e wetenschappelijke ambitie van de rechtseconomie (...) erin het bestaan van rechtsregels te verklaren en de effecten van rechtsregels met behulp van economische theorieën te voorspellen. Kennis over de effecten van recht kan een belangrijke bijdrage vormen aan het normatieve debat.' (Visscher/Van den Bergh (2006), p. 309).
Over 'de onhoudbaarheid van het bestaan van een louter positieve, waardevrije rechtseconomie': Gaakeer/Kerkmeester (1997), p. 38-40, met verdere verwijzingen.
Ook De Geest, die zich in 1994 nog op het standpunt stelde dat 'there is no such thing as a normatieve analysis of law' (aangehaald in Gaakeer/Kerlcmeester (1997), p. 39), erkent inmiddels de mogelijkheid van een 'normatieve rechtseconomische analyse' (vgl. De Geest/ Depoorter/Vanneste (2004), p. 1929).
Hetgeen — naar ik afleid uit Tjittes formulering — volgens Tjittes (2005), p. 1880, het geval is.
Hierover ook De Geest (2004), p. 60.
Evenzo: Franken (2004a), p. 1403 en Barendrecht e.a. (2004), p. 1424.
Zoals bijvb. Van Rhee (2004), p. 200, vertolkt.
Waaronder De Geest (2004)
Vgl. ook Gaakeer/Kerlcmeester (1997), p. 40.
Hoewel er dus goede redenen zijn om de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen vanuit de rechtseconomische invalshoek te bestuderen, kennen "de rechtseconomie" als zodanig en de toepassing daarvan ook zwakke punten. Om die reden is in Nederlandse en buitenlandse literatuur een grote verscheidenheid aan — gedeeltelijk terechte — kritiek te vinden op de rechtseconomie en de toepassing van rechtseconomische analyses.1 Deze kritiek is relevant voor de in het volgende hoofdstukken opgenomen rechtseconomische beschouwingen over de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen.
Om te beginnen wordt als kritiek naar voren gebracht op rechtseconomische analyses van het recht dat "de rechtseconomie" eigenlijk een normatieve wetenschap is, waarbij de richtinggevende norm het economische welzijn is.2 Opgemerkt wordt daarbij dat de rechtseconomie "het recht als instrument ter regulering van menselijk gedrag door financiële prikkels [ziet]".3 In vergelijkbare bewoordingen wordt "law & economics" ook wel omschreven als "een stroming (...) die — in ieder geval in beginsel — het recht beschouwt als niet meer dan een instrument ter verwezenlijking van bepaalde economische doelstellingen".4
Uit deze omschrijvingen kan een aantal, enigszins verhulde, bezwaren tegen rechtseconomische analyses worden gedestilleerd. Uit de formulering dat rechtseconomie "eigenlijk" een normatieve wetenschap is, kan worden afgeleid dat kritiek bestaat op de claim die aanhangers van rechtseconomie maken — of in ieder geval in het verleden hebben gemaakt — dat de rechtseconomie geen normatieve wetenschap zou zijn.5 Inmiddels is echter, naar mijn mening overtuigend, aangetoond dat (ook) de rechtseconomische wetenschap niet louter positief en waardevrij is.6 Deze zienswijze lijkt ook het merendeel van de rechtseconomen te aanvaarden.7 Het is om deze reden dat de op rechtseconomische argumenten gebaseerde uitspraken over de grondslagen en vormgeving van publicatievoorschriften voor beursvennootschappen in deze studie als normatieve oordelen moeten worden beschouwd.
Overigens kan de vraag worden gesteld om welke reden dergelijke normatieve oordelen eigenlijk problematisch zouden zijn8 Dat van descriptieve uitspraken niet logisch geldend kan worden gesprongen naar normatieve uitspraken, staat voor mij buiten twijfel 9 Daarmee is echter niet gezegd dat dergelijke descriptieve uitspreken volledig waardevrij tot stand (kunnen) komen. De idee dat theorievrije waarneming mogelijk is, deel ik niet.10 Dat "de 'traditionele' rechtswetenschap (...) geen normatief karakter [heeft]" berust om die reden ook op een misvatting.11 Beoefening van de rechtswetenschap leidt, aldus beschouwd, noodzakelijkerwijs altijd tot normatieve oordelen. Dat behoeft, op zichzelf bezien, geen probleem te zijn. Problemen ontstaan naar mijn mening (eerst) indien dergelijke normatieve oordelen niet als zodanig herkenbaar zijn of de methode die heeft geleid tot het oordeel wetenschappelijk niet verantwoord is. Dat is, denk ik, wat de kern van de kritiek is (of zou moeten zijn) van een aantal rechtseconomen12 Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat, hoewel de op rechtseconomische argumenten gebaseerde oordelen normatief zijn, rechtseconomische analyses zinvolle beschrijvingen van de werkelijkheid kunnen bevatten. Beschrijvingen die, binnen de rechtseconomische context, objectief zijn.13