Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/8.4.2
8.4.2 Inbreuk op "de autonomie van het recht"
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580266:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Korthals Altes (2005), op p. 895, daarbij Mattei citerend (zie Mattei (1994), p. 216. De verwijzing is ook te vinden in Hesselink (2001), p. 57-58).
Korthals Altes (2005) p. 893-894.
Vgl. Posner (1987). Hierover ook Loth/Gaakeer (2002), p. 307-319 en 250-254.
Asser-Vranken (2005), p. 148. Over de autonomie van recht ook: Loth/Gaakeer (2002), 307-328.
Korthals Altes (2005), p. 922.
En die functie kan nu eenmaal, zoals reeds in de Inleiding op deze studie is betoogd, niet los staan van de werkelijkheid waarop het recht betrekking heeft.
(O.m.) in gang gezet door Stolker (2003) en daarna voortgezet door De Geest (2004), Franken (2004a), Barendrecht e.a. (2004) en Van Rhee (2004).
Een tweede bezwaar dat kan worden afgeleid uit de hierboven genoemde kritiek op "de rechtseconomie", houdt verband met het instrumentele aspect van de rechtseconomische benadering van het recht. De rechtseconomie is, zo parafraseert bijvoorbeeld Korthals Altes, "an approach remarkably unconcerned with positive law"1, waarbij ter verwezenlijking van bepaalde economische doelstellingen, het recht wordt beschouwd als "niet meer dan instrument".2 Zelfs als dit zo zijn, zie ik niet wat nu eigenlijk verloren gaat wanneer het recht — mede — als instrument wordt gezien.
Korthals Altes lijkt echter niet alleen moeite te hebben met de instrumentele invalshoek — hetgeen ik afleid uit de woorden "niet meer dan" — maar ook, en wellicht vooral, met de kritiek van rechtseconomen op de gedachte van recht als autonome discipline.3 Zo reageert Korthals Altes op het poneren van de stelling dat "recht geen autonome discipline is die losstaat van de werkelijkheid waarop het geacht wordt betrekking te hebben"4 met de opmerking dat "het recht een wel degelijk autonoom aspect van die 'werkelijkheid' is".5 Dat moge zo zijn, maar de constatering dat het recht als autonoom aspect van de werkelijkheid moet worden gezien "omdat het er nu eenmaal is", gaat voorbij aan de omstandigheid dat het recht een functie heeft.6 Dit "inbreuk op de autonomie van het recht"-bezwaar tegen de rechtseconomische benadering, heeft voor de rechtseconomische beschouwingen in deze studie naar mijn mening slechts beperkte relevantie. Ten eerste omdat in deze studie rechts-economische analyses worden gezien als één van de gezichtspunten om de werking van rechtsregels te analyseren. Hierdoor wordt de — eventueel bezwaarlijke — opvatting van rechtseconomen om het recht "slechts" als instrument te beschouwen minder zwaarwegend. Ten tweede omdat het belang van de discussie over de (mate van) autonomie van het recht overstijgend is aan het in deze studie beschreven onderzoek naar de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen. Bespreking van die discussie, die een grote rol speelt in het debat over het wetenschappelijke gehalte van de rechtswetenschap, valt om die reden buiten het bestek.7