Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/12.2.4
12.2.4 Verhouding tussen lex causae, lex fori en artikel 23 EEX-V°/17 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS418017:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie vorige par.
HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p. 1-3767, NJ 1999, 681; HvJ EG 13 juli 1993, zaak C-125/92, Mulox IBC/Geels, Jur. 1993, p. 1-4075, NJ 1997, 61; HvJ EG 4 maart 1982, zaak 38/81, Effer/Kantner, Jur. 1982, p. 825, NJ 1983, 508.
Kropholler, EZPR, p. 222; Goldman, RTDE 1971, p. 23; Krings, Preadvies NV1R 1978, p. 120.
Duintjer Tebbens, Forumkeuze in cognossement, p. 123.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Colzani/Rilwa, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446, r.o. 6 en 7; HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Segoura/Bonakdarian, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447, r.o. 6; HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337, NJ 1987, 479, r.o. 5 (steeds met kleine hier niet van belang zijnde verschillen); HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières Rhénanes, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 15; vgl. ook HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-296/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p.1-3788, NJ 1999, 681, r.o. 28.
Zie vorige noot.
HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-296/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p.1-3788, NJ 1999, 681, r.o. 29.
Rapport Schlosser, PbEG p. C59/125 blijkt dat wilsovereenstemming een geldigheidseis blijft.
Anders: Rb. Haarlem 22 december 1998, NIPR 1999, 84 die iedere rol van de lex causae uitsluit onder verwijzing naar de vormvoorschriften.
HvJ EG 4 maart 1982, zaak 38/81, Effer/Kantner, Jur. 1982, p. 825, NJ 1983, 508; HvJ EG 13 juli 1993, zaak C-125/92, Mulox IBC/Geels, Jur. 1993, p. 1-4075, NJ 1997, 61; HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p. 1-3767, NJ 1999, 681 en HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151, r.o. 72.
AG Capotorti voor HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Colzani/Rilwa, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446, zie p. 1845.
HvJ EG 14 december 1976, zaak 24/76, Jur. 1976, p. 1831, NJ 1977, 446, r.o. 7; HvJ EG 14 december 1976, zaak 25/76, Jur. 1976, p. 1851, NJ 1977, 447, r.o. 6; HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/80, Jur. 1981, p. 1771, NJ 1981, 546, r.o. 25; HvJ EG 14 juli 1983, zaak 201/82, Jur. 1983, p. 2503, NJ 1984, 716, r.o. 13; HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Jur. 1984, p. 2417, NJ 1984, 735, r.o. 14; HvJ EG 11 juli 1985, zaak 221/84, Jur. 1985, p. 2699, NJ 1986, 602, r.o. 13; HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 15; HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p. 1-3767, NJ 1999, 681, r.o. 29 (in afwijkende bewoordingen).
HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337, NJ 1987, 479, r.o. 7 en 8.
AG Lenz voor HvJ EG 29 juni 1994, zaak C-288/92, Custom Made Commercial/Stawa Metallbau, Jur. 1994, p.1-2913, NJ 1995, 221, par. 124-126; vgl. Rb. Arnhem 14 september 2005, NIPR 2006, 139 die expliciet kiest voor autonome interpretatie.
HvJ EG 21 juni 1978, zaak 150/77, Bertrand/Ott, Jur. 1978, p. 1431, NJ 1979, 115, r.o. 14-16; HvJ EG 19 januari 1993, zaak C-89/91, Shearson Lehmann Hutton/TVB, Jur. 1993, p. 1-139, NJ 1996, 328, r.o. 13 en HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p. 1-3767, NJ 1999, 681, r.o. 12.
HvJ EG 19 juni 1984, zaak 71/83, Tilly Russ/Nova, Jur. 1984, p. 2417; NJ 1984, 735.
HvJ EG 11 november 1986, zaak 313/85, Iveco/Van Hooi, Jur. 1986, p. 3337; NJ 1987, 479.
Gaudemet-Tallon, Civil Jurisdiction, p. 139.
HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p.1-3767, NJ 1999, 681, r.o. 12.
HvJ EG 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières, Jur. 1997, p. 1-911, NJ 1998, 565, r.o. 19.
HvJ EG 24 juni 1981, zaak 150/80, Elefanten Schuh/Jacqmain, Jur. 1984, p. 1771, NJ 1981, 546 (betreffende taalvoorschriften); HvJ EG 3 juli 1997, zaak C-269/95, Benincasa/Dentalkit, Jur. 1997, p. 1-3767, NJ 1999, 681 (inzake lex causae); HvJ EG 17 maart 1999, zaak C-159/97, Castelletti/ Trumpy, Jur. 1999, p. 1-1597, NJ 2001, 116 (cognossementen), Goldman, RTDE 1971, p. 23; Vgl. Rb. Arnhem 24 december 1992, NIPR 1993, 300.
In deze paragraaf gaat het voor de volgende onderwerpen om de afbakening tussen art. 23 EEX-V°/17 Verdrag enerzijds en de lex causae en lex fori anderzijds:
Toelaatbaarheid;
Rechtsgeldigheid/wilsovereenstemming;
Vorm;
Gevolgen.
Ook ten aanzien van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag geldt dat het toepasselijk recht op de handelingsbekwaamheid wordt bepaald aan de hand van het internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter.1 Met het commune internationaal privaatrecht bestaat derhalve geen verschil.
Ad (i) Toelaatbaarheid
Eén van de voornaamste doeleinden van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag - en de EEX-V° en het Verdrag in het algemeen - is de unificatie van het internationale bevoegdheidsrecht in de EG-lidstaten respectievelijk verdragsluitende staten2 Gezien deze doelstelling is duidelijk dat de lex causae geen effect heeft op de toelaatbaarheid van een forumkeuze. Deze oplossing stemt geheel overeen met de beoordeling van een forumkeuze naar commuun internationaal privaatrecht: uitsluitend de lex fori aditi bepaalt de toelaatbaarheid van een forumkeuze. Het geadieerde gerecht moet de art. 23 EEX-V°/17 Verdrag toepassen. Voorschriften van materieel nationaal recht en de lex causae laat het gerecht terzijde3 Ruimere regels van de lex fori mogen evenmin worden gebruikt om een volgens de art. 23 EEX-V°/17 Verdrag niet toelaatbare forumkeuze alsnog toelaatbaar te achten.4 Art. 23 EEX-V°/17 Verdrag behelst dus geen minimum harmonisatie, maar regelt uitputtend de toelaatbaarheid van forumkeuze binnen het toepassingsbereik van de bepaling.
Ad (ii) Rechtsgeldigheid/wilsovereenstemming
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie5 volgt dat het bestaan van wilsovereenstemming (rechtsgeldigheid) moet worden onderzocht naast de vormvoorschriften:
`dat art. 17 ten deze een 'overeenkomst' tussen partijen verlangt, en aldus de aangezochte rechter verplicht in de eerste plaats te onderzoeken of de clausule welke hem bevoegd verklaart, inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van een wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt;
dat de vormvereisten van art. 17 ten doel hebben te waarborgen dat de wilsovereenstemming tussen partijen inderdaad vaststaat;'
De vormvoorschriften zijn in dit verband slechts een waarborg.6 Het gaat om een cumulatieve toets: een forumkeuze heeft slechts rechtsgevolg, indien wilsovereenstemming bestaat en de vormvoorschriften zijn nageleefd.7 De versoepeling van de vormvoorschriften betekent niet dat de wilsovereenstemming niet langer aanwezig behoeft te zijn. Integendeel, uit het Rapport Schlosser8 blijkt dat wilsovereenstemming een eis voor een geldige forumkeuze blijft naast de vormvoorschriften.9
Naar mijn mening is een autonome toets van de rechtsgeldigheid - en dus niet een onderzoek aan de hand van de lex causae - de meest aangewezen optie om de wilsovereenstemming te beoordelen, indien de forumkeuze wordt beheerst door art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. Derhalve bestaat op basis van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag een materiële regel die voorschrijft dat partijen wilsovereenstemming moeten hebben bereikt over de forumkeuze en de inhoud daarvan. De uniformiteit van interpretatie in de art. 23 EEX-V°/17 Verdrag wordt hierdoor ten volle gewaarborgd en bevorderd. Nationale rechters worden zo weerhouden om toch nog ruimte te vinden voor toepassing van nationale regels (bij voorkeur van hun eigen recht). Bovendien worden hierdoor eventuele - tijdrovende - geschillen over de vraag welk recht van toepassing is op de forumkeuze worden vermeden. Zoals het Hof van Justitie herhaalde malen heeft overwogen,10 moet de eiser gemakkelijk kunnen bepalen welk gerecht bevoegd is voor zijn vordering en moet de verweerder redelijkerwijs gemakkelijk kunnen voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen. Deze optie doet ten derde recht aan de doelstelling van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag om het handelsverkeer zo min mogelijk te hinderen.11 In de EEX-V°/het Verdrag bestaat één concept voor de geldigheid van een forumkeuze, onafhankelijk van de nationale rechtsstelsels die bij de forumkeuze zijn betrokken.
Voorts kan steun worden gevonden voor een autonome interpretatie in de arresten van het Hof van Justitie in de zaken Colzani/Rdwa, Segoura/Bonakdarian, Elefanten Schuh/Jacqmain, Gerling/Tesoro dello Stato, Tilly Russ/Nova, Berghdfer/ASA, MSG/ Les Gravières en Benincasa/Dentalldt.12 Steeds overwoog het Hof van Justitie dat de vormvoorschriften tot doel hebben de wilsovereenstemming te waarborgen. Met name beogen de vormvoorschriften te bewerkstelligen dat de wilsovereenstemming duidelijk vaststaat en duidelijk en nauwkeurig tot uitdrukking komt. Tegen deze stelling zou kunnen worden aangevoerd dat het Hof van Justitie aan het recht dat de overeenkomst beheerst (lex causae) gewicht heeft toegekend in de zaak Iveco/Van Hool.13
Ik meen echter dat het Hof van Justitie zich in dit laatste arrest slechts heeft willen uitlaten over het probleem van (stilzwijgend) verlengde overeenkomsten en de geldigheid van de forumkeuze.
Gezien de voordelen van een autonome toetsing meen ik dat deze benadering de voorkeur verdient.14 Deze oplossing sluit aan bij de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat met het oog op eenvormige toepassing van het EEX in alle verdragsluitende staten in het EEX gebruikte begrippen, die volgens het nationale recht een verschillende betekenis hebben, autonoom uitlegt. Het Hof van Justitie let daarbij met name op het stelsel en de doelstellingen van het EEX.15 Overigens betoog ik niet dat het toepasselijke nationale recht op de overeenkomst niet van belang kan zijn bij beoordeling van de rechtsgeldigheid van de forumkeuze. Het gaat echter om bijzondere situaties waarbij het nationale recht een rol speelt en het is niet de hoofdregel. Voorbeelden uit de jurisprudentie waarbij het Hof van Justitie het belang van het nationale recht heeft erkend zijn de arresten Tilly Russ/Nova16 en IvecoNan Hooi.17
De autonome uitleg van de rechtsgeldigheid - en met name de wilsovereenstemming - zou mijns inziens moeten zijn gebaseerd op de volgende elementen:
De gemeenschappelijke beginselen van overeenkomstenrecht in de lidstaten c.q. verdragsluitende staten.18 Ik denk daarbij aan beginselen over aanbod en aanvaarding, vrijblijvendheid van een aanbod, herroepelijkheid, etc.
Het stelsel en de doelstellingen van de EEX-V° c.q. het Verdrag.19
Voldoening aan de vormvoorschriften geldt als vermoeden van rechtsgeldigheid. Voor de vorm van art. 23 lid 1 sub c EEX-V°/17 lid 1 sub c Verdrag is dat reeds het geval.20
De jurisprudentie van het Hof van Justitie over de vormvoorschriften.
Het hiermee nauw verbonden begrip 'overeenkomst' bespreek ik hierna in par. 12.3.2.
Ad (iii) Vorm
De vormvoorschriften van art. 23 EEX-V°/17 Verdrag zijn uitputtend. Voor de lex loci actus (art. 10 Wet AB) of lex causae bestaat geen ruimte. De vorm van de forumkeuze in de ruimste zin des woords mag uitsluitend aan deze artikelen worden getoetst. Aanvullende of corrigerende regels van nationaal recht zijn verboden.21
Ad (iv) Gevolgen
De gevolgen van een forumkeuze worden uitsluitend beheerst door art. 23 EEX-V°/17 Verdrag. Dat vloeit voort uit de uniformiteit die art. 23 EEX-V°/17 Verdrag beoogt. Een forumkeuze heeft in alle EG-lidstaten respectievelijk verdragsluitende staten hetzelfde effect.