Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/269
269 Pay ratio
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS370216:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Xander van Uffelen, ’Kloof tussen bestuurder en werknemer schaadt motivatie’, 2011 (te raadplegen op https://www.volkskrant.nl/economie/-kloof-tussen-bestuurder-en-werknemer-schaadt-motivatie~a1869322/, (laatst bezocht op 5 augustus 2017)).
Zie het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de ondernemingsraden in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de beloningen van bestuurders; Kamerstukken II, 34 494, 2015/16, nr. 3 (MvT).
Daarbij wordt aangesloten bij Europese regelgeving. Zie de nieuwsbrief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 maart 2014 (te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid/nieuws/2014/03/07/kabinet-verplicht-bedrijven-or-te-betrekken-bij-topsalarissen (laatst bezocht op 5 augustus 2017)). Zie over de Europese regelgeving randnummer 258 e.v.
De bedoeling is dat de ondernemer verplicht wordt actief verantwoording af te leggen over de beloningsverhoudingen binnen de onderneming waardoor de ondernemingsraad dit ‘gevoelige’ onderwerp niet meer zelf aan de orde hoeft te stellen. Kamerstukken II, 34 494, 2015/16, nr. 3 (MvT), p. 3. Zie hierover tevens Zaal 2015.
Ik kom uitgebreid terug op de Nederlandse pay ratio in hoofdstuk 24.
Zo is in het voorstel tot herziening van de Corporate Governance Code van februari 2016 door de commissie Van Manen opgenomen dat de remuneratiecommissie kennis neemt van de eigen visie van de individuele bestuurders met betrekking tot de hoogte en structuur van hun eigen beloning, zie bpb 3.2.2 van het voorstel. Dit voorstel is vervolgens overgenomen in de uiteindelijke herziene Code 2016, zie bpb 3.2.2 Code 2016: Visie bestuurders eigen bezoldiging.
Zaal 2015.
Op grond van de Code 2016 dient een beursgenoteerde vennootschap in Nederland in het remuneratierapport op te nemen wat de verhouding is tussen de beloning van bestuurders en een door de vennootschap vast te stellen representatieve referentiegroep binnen de onderneming. Ook moet worden toegelicht of er wijzigingen zijn in deze verhoudingen ten opzichte van het voorgaande boekjaar.1
Deze nieuwe bepaling is de derde in de Code 2016 die ziet op de interne beloningsverhoudingen. Zo is in de Code 2016 eveneens opgenomen dat bij het formuleren van het beloningsbeleid de interne beloningsverhoudingen in overweging moeten worden genomen en dat het voorstel van de remuneratiecommissie aan de raad van commissarissen over de beloning van individuele bestuurders in dient te gaan op de beloningsverhoudingen binnen de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.2 Een voorloper van deze regelingen was in de Code 2008 terug te vinden.3 Daarin was bepaald dat de raad van commissarissen de hoogte en de structuur van de bezoldiging van bestuurders mede vaststelt met inachtneming van de beloningsverhoudingen binnen de onderneming. De reden om deze bepaling op te nemen in de Code 2008 was om een intern anker toe te voegen aan het beloningsproces dat tegenwicht moet bieden aan een mogelijk ’haasje-over’ effect. Voormalig voorzitter van de monitoringcommissie Corporate Governance Jos Streppel stelde hierover: “Wij kunnen deze aanbeveling niet controleren, want er is geen meetmethode om te kijken of bedrijven rekening houden met beloningsverhoudingen.”4 Met de invoering van het nieuwe transparantievoorschrift in de Code 2016 lijkt die meetmethode er nu te zijn gekomen. Sinds eind 2016 kent Nederland dus een bepaling die in de buurt komt van een pay ratio-regeling. In tegenstelling tot in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk is deze regeling vrijblijvend en slechts in algemene woorden vormgegeven.
Een wettelijke verplichting tot openbaarmaking van een pay ratio kent Nederland (nog) niet. Wel is een aanzet gedaan om de verhouding tussen het bezoldigingsniveau van bestuurders en de rest van de werknemers verplicht op de agenda te zetten tijdens het overleg met de ondernemingsraad.5 Het wetsvoorstel heeft een wijziging van art. 23 Wet op de Ondernemingsraden (hierna: WOR) voor ogen. In het tweede lid van art. 23 WOR wordt na de eerste zin ingevoegd:
“In ondernemingen waarin in de regel ten minste 100 personen werkzaam zijn, worden ten minste eenmaal per jaar in de overlegvergadering in ieder geval besproken de hoogte en de inhoud van de in artikel 31d, eerste en tweede lid, bedoelde arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken, en de ontwikkeling van de beloningsverhoudingen ten opzichte van het voorgaande jaar per verschillende groep van de in de onderneming werkzame personen.”
De wettelijke regeling moet leiden tot meer openheid en discussie binnen een onderneming over de soms scheve verhoudingen binnen een bedrijf.6 Met deze nieuwe regeling lijkt voornamelijk nadere invulling te worden gegeven aan het reeds bestaande informatie- en overlegrecht van de ondernemingsraad.7 De enige wijziging die dit voorstel aanbrengt is dat het initiatief tot overleg nu bij de ondernemer komt te liggen, omdat op de ondernemer de verplichting rust de dialoog met de ondernemingsraad over de beloningsverhouding aan te gaan.8 Een nieuwe bevoegdheid wordt met het wetsvoorstel niet geschapen. Hierdoor is het nut van dit wetsvoorstel mijns inziens beperkt, waardoor deze nieuwe regeling geenszins de behoefte kan wegnemen van het ontwerpen van een eigen Nederlandse pay ratioregeling.9
Zaal wijst erop dat het weinig zinvol is dat de beloningsverhoudingen worden aangesneden tijdens een overleg met de bestuurder, aangezien de bevoegdheid tot het vaststellen van de bezoldiging bij de AVA of de raad van commissarissen ligt. Er lijkt een trend gaande om de bestuurder te verplichten zelf verantwoording af te laten leggen over de hoogte van zijn bezoldiging.10 Hoewel ik niet direct zou willen concluderen dat een gesprek met de bestuurder over de beloningsverhouding binnen de onderneming weinig zinvol is, begrijp ik de kritiek van Zaal dat primair de raad van commissarissen aangesproken dient te worden op de ontwikkeling van de bezoldigingsniveaus van bestuurders omdat hij de bevoegdheid heeft iets aan die ontwikkeling te doen. Het uitgangspunt is vooralsnog zo dat een bestuurder voor zichzelf een bezoldiging mag uitonderhandelen.
Naast vorenstaande kritiek dient opgemerkt te worden dat de ondernemingsraad op basis van het reeds bestaande standpuntbepalingsrecht en spreekrecht ex art. 2:135 lid 2 BW de beloningsverhoudingen binnen de onderneming kan aankaarten tijdens de algemene vergadering. Van deze bevoegdheid wordt tot op heden weinig gebruik gemaakt.11 Geconcludeerd kan dan ook worden dat de reeds bestaande mogelijkheden, die als stimulans moesten dienen voor de ondernemingsraad tot het voeren van een sociale dialoog, de nadruk op de externe referentie bij het vaststellen van de bezoldiging niet heeft weten te doorbreken. Uiteraard zal de verantwoordelijkheid daarvoor deels bij de ondernemingsraad liggen. Een andere reden kan mijns inziens gevonden worden in het feit dat deze regels onvoldoende aanzetten tot een ‘bewustwording’ bij de raad van commissarissen en meer in het bijzonder zijn gericht op het creëren van twee kampen die vervolgens met elkaar in overleg moeten treden over elkaars standpunten. Ik verwacht dan ook niet dat de aanpassing van art. 23 WOR zal leiden tot een cultuurverandering waardoor afscheid wordt genomen van de nadruk op externe referentie en de interne beloningsverhoudingen een prominente plaats krijgen bij het vaststellen van de ex ante hoogte van de bezoldiging van bestuurders.