Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/13.3.1
13.3.1 Het uitgangspunt: één lidstaat van herkomt en koppeling aan de statutaire zetel
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS579059:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wijze waarop voor beursvennootschappen met een statutaire zetel buiten de Europese Unie wordt bepaald welke lidstaat de lidstaat van herkomst is, zal verder niet worden besproken. De hoofdregel ter bepaling hiervan is art. 2, lid 1, onderdeel m, onder iii), Prospectusrichtlijn. De Transparantierichtlijn sluit hierop in beginsel aan. In art. 2, lid 1, onderdeel i, onder i), tweede streepje, van die richtlijn is bepaald de lidstaat van herkomst van dergelijke vennootschappen wordt bepaald door art. 10 Prospectusrichtlijn.
Ingevolge art. 2, lid 1, onderdeel m, onder ii), Prospectusrichtlijn kan een beursvennootschap waarvan geen aandelen tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, maar wel verschillende typen zogenoemde 'effecten zonder aandelenkarakter', meer dan één lidstaat van herkomst hebben. Er bestaat dan een per type effect afwijkende lidstaat van herkomst. Hierover reeds Grundmann-van de Krol (2003), p. 263. De Transparantierichtlijn beperkt deze mogelijkheid echter: ingevolge art. 2, lid 1, onderdeel i, onder ii) van die richtlijn kan een uitgevende instelling slechts één lidstaat van herkomst kiezen. Deze keuze blijft ten minste drie jaar geldig, tenzij de effecten van die uitgevende instelling niet meer tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.
Ingevolge de artikelen 13 en 17 jo. art. 2, lid 1, onderdeel m, Prospectusrichtlijn. Zie ook de 14e en 17e overweging bij die richtlijn.
Ingevolge art. 21 jo. art. 2, lid 1, onderdeel i, Transparantierichtlijn. Zie ook de 6
Ingevolge art. 19 en art. 24, lid 1 jo. lid 4, onderdeel h, van de Transparantierichtlijn. Zie ook de 6
Vgl. de in noot 18 en 19 genoemde artikelen de Prospectusrichtlijn de Transparantierichtlijn.
Over het bepalen van de 'lidstaat van herkomst' — en de rol die de statutaire zetel van de beursvennootschap daarbij speelt — is de nodige literatuur verschenen. Zie o.a. Grundmannvan de Krol (2001), p. 126, Schlingmann (2002), p. 369-370, Timmerman (2002a), p. 168 en (2002b), p. 245, Vossestein (2002), p. 483 — allen over het voorstel voor de Prospectus-richtlijn. Zie daarnaast — over het voorstel voor de Transparantierichtlijn — Grundmann-van de Krol (2003), p. 263, Ferran (2004a), p. 14-155 en Hijink.(2006a), p. 39-41.
Hierover meer uitgebreid mijn opmerkingen in Hijink (2006b), p. 462.
Ook voor deze 'territoriale' toezichthouder, die niet noodzakelijkerwijs ook de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de beursvennootschap is, blijft derhalve een rol weggelegd bij het toezicht op de naleving van de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen. De scheidslijn tussen het toezicht van de toezichthouder van de lidstaat van herkomst en dat van de 'territoriale' toezichthouder is niet altijd duidelijk. Deze onduidelijkheid wordt verder vergroot door de moeilijkheden die kunnen bestaan bij het bepalen van het territoir waarop de gereglementeerde markt functioneert of gelegen is. Zie hierover mijn eerdere opmerkingen in Hijink (2006b), p. 462-463.
Hierover ook het, fraaie, betoog van Enriques/Trliger (2007), in het bijzonder p. 25 e.v.
De omschrijving van de 'lidstaat van herkomst' in beide richtlijnen sluit niet volledig aan. Zie over de uitwerking daarvan in de Nederlandse regelgeving: Grundmann-van de Krol (2007), p. 36-38). Ik laat dit verder rusten.
Opmerkelijk is overigens de passage de laatste volzin van de 12e overweging bij de Prospectusrichtlijn. In die volzin is opgemerkt dat 'depository receipts' niet als 'effecten met een aandelenkarakter' zouden moeten worden gezien. Dit heeft tot onduidelijkheid geleid, omdat in de Nederlandse regelgeving ter implementatie van de Prospectusrichtlijn certificaten van effecten — naar mijn mening terecht — wel als 'effecten met een aandelenkarakter' zijn omschreven. Hierover — en in dezelfde zin — Grundmann-van de Krol (2007a), p. 37-38.
De Prospectusrichtlijn voorziet overigens in de mogelijkheid dat door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst de goedkeuring van het prospectus wordt overgedragen (op grond van art. 13, vijfde lid, van de Prospectusrichtlijn).Door de Nederlandse regering is opgemerkt dat in de rede ligt dat de AFM met terughoudendheid van die bevoegdheid gebruik zal maken (vgl. de Nota van toelichting bij de vierde nota van wijziging van de Wft, Kamerstukken II, 2005/2006, 29 708, nr. 19. p. 567-569), mede omdat in de Transparantierichtlijn niet is voorzien in de mogelijkheid dat 'toezicht' door de toezichthouder van de lidstaat van herkomt wordt overgedragen (aldus de regering op p. 568). Zie hierover ook Grundmann-van de Krol (2007a), p. 113-114.
Ingevolge art. 1, onderdeel 2, onderd b, van het Voorstel tot wijziging Prospectusrichtlijn (Brussel, 23 september 2009, COM (2009) 491 definitief, 2009/0132 (COD)). Hierover meer uitvoerig mijn opmerkingen in Hijink (2009e), p. 632 e.v.
Vgl. ook mijn kritische opmerkingen in Hijink (2009a), p. 271-272.
De basis voor deze toezichtscompetitie in de Europese Unie op het terrein van de publicatieverplichtingen — ook "competitie tussen toezichthouders" genoemd — wordt gevormd door het beginsel van de "lidstaat van herkomst" van een beursvennootschap. Dit beginsel houdt in dat iedere Europese beursvennootschap1, in beginsel, één lidstaat van herkomst heeft.2 In het verlengde daarvan is alleen de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat, met uitsluiting van toezichthouders van andere lidstaten, bevoegd om toezicht te houden op de naleving de op de desbetreffende beursvennootschap toepasselijke publicatieverplichtingen. Voorbeelden daarvan zijn de goedkeuring — en daarmee ook de inhoudelijke toetsing — van het prospectus3, het toezicht op de wijze waarop voorwetenschap en periodieke fmanciële verslaggeving openbaar moeten worden gemaakt4 en het toezicht op de naleving van de voor de inrichting van die periodieke financiële verslaggeving geldende voorschriften.5
De hoofdregel ter bepaling van de lidstaat van herkomst in de Prospectusrichtlijn — en daarop voortbouwend in de Transparantierichtlijn — sluit aan bij de statutaire zetel van de beursvennootschap.6 Voor de toezichthouder van de lidstaat waarin een beursvennootschap haar statutaire zetel heeft is hierdoor een belangrijke toezichthoudende rol weggelegd.7 Daarmee is overigens niet gezegd dat in het toezicht op de naleving van de publicatieverplichtingen de toezichthouder van het land van locatie van de gereglementeerde markt waarop de effecten van een beursvennootschap zijn toegelaten geen rol (meer) speelt.8 Die toezichthouder ziet immers (nog steeds) toe op de naleving van de verplichting om — tijdig — een prospectus, voorwetenschap of een biedingsbericht te publiceren.9
De combinatie in het FSAP van in vergaande mate geharmoniseerde regelgeving enerzijds en één, door de lidstaat van herkomst bepaalde, toezichthouder anderzijds, zou in theorie tot gevolg kunnen hebben dat tussen toezichthouders competitie ontstaat. Bij gelijkluidende publicatieverplichtingen zal immers de "kwaliteit" van het toezicht, bijvoorbeeld de mate van snelheid waarmee prospectussen worden goedgekeurd, de doorslaggevende factor kunnen zijn voor beursvennootschappen om te kiezen voor het toezicht van een bepaalde toezichthouder.10 In de praktijk is deze mogelijkheid voor "toezichtscompetitie" echter beperkt. Dit komt omdat in diezelfde richtlijnen van het FSAP — in de Prospectusrichtlijn en, daarop voortbouwend, in de Transparantierichtlijn nauwelijks mogelijkheden bestaan voor beursvennootschappen om naar vrije keuze hun lidstaat van herkomst te bepalen. Het uitgangspunt dat de statutaire zetel van de beursvennootschap bepaalt welke lidstaat de lidstaat van herkomst is, vindt namelijk toepassing in alle situaties waarin een Europese beursvennootschap effecten met een aandelenkarakter of obligaties met een nominale waarde die kleiner is dan 1000 euro aan het publiek aanbiedt of om toelating tot de handel op een gereglementeerde markt verzoekt.11 Het gevolg hiervan is dat, in ieder geval voor Europese beursvennootschappen waarvan aandelen, of certificaten daarvan12, tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, de lidstaat van herkomst steeds de lidstaat zal zijn waarin de statutaire zetel van die beursvennootschap is gelegen.13 De ratio om voor de invulling van het beginsel van "de lidstaat van herkomst" in principe aan te sluiten bij de statutaire zetel van de beursvennootschap blijkt uit overweging 14 bij de Prospectusrichtlijn. Daarin wordt opgemerkt dat deze lidstaat de lidstaat is "die in de beste positie verkeert om toezicht uit te oefenen op de uitgevende instelling."
Voor vennootschappen die uitsluitend obligaties met een nominale waarde van meer dan 1000 euro aan het publiek aanbieden of tot de handel op een gereglementeerde markt toelaten, is als gevolg van de Prospectusrichtlijn wel de mogelijkheid van (toezichts)competitie ontstaan. In de praktijk lijkt daarvan ook gebruik te worden gemaakt; met name de Luxemburgse toezichthouder mag zich daarbij op grote populariteit verheugen. In het op 23 september 2009 door de Europese Commissie gepubliceerde Voorstel tot wijziging van de Prospectus-richtlijn is voorgesteld om de mogelijkheid voor beursvennootschappen om een andere lidstaat van herkomst te kiezen uit te breiden, door aanpassing van het huidige artikel 2, onderdeel m, onder ii, Prospectusrichtlijn.14 Of die wijziging daadwerkelijk zal worden doorgevoerd in de Prospectusrichtlijn, moet overigens nog worden afgewacht. Wat daar ook van zij, opvallend in dit voorstel tot verruiming van de mogelijkheden voor toezichtscompetitie is het ontbreken van enige verwijzing door de Europese Commissie naar de redenen voor het ontstaan van de huidige afbakening van de "lidstaat van herkomst."15