Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/7.4.3.3
7.4.3.3 Het materiële controlecriterium moet samenwerking niet nodeloos hinderen
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363922:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hier is een interessante parallel te trekken met de discussie rond bange bestuurders in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid, zie over de veronderstellingen daarbij Verstijlen 2015, p. 329 e.v. Er zijn trouwens wel meer raakvlakken: ook in die discussie wordt gepleit voor een ander criterium (dan het thans gehanteerde “ernstig verwijt-criterium”) alsmede voor verduidelijking van de materiële norm.
Zie voor cijfers en/of antwoorden op questionnaires: McCahery/Sautner/Starks 2015, p. 19 en 34; Melis 2014, p. 319; Eumedion 2013 – Position Action plan EU company law, p. 7-8; Europese Commissie 2011 – Feedback Statement/Summary of Responses to the Commission Green Paper on the EU Corporate Governance Framework, p. 13-14; Europese Commissie 2010 – Commission Staff Working Document – Corporate Governance in Financial Institutions: Lessons to be drawn from the current financial crisis, best practices, par. 4.1.5. Zie ook Eumedion 2010 – Consultatiedocument aanpassing biedingsregels, p. 2-4; Eumedion 2006 – Position paper acting in concert.
ESMA 2013 – White list, nr. 1.3-1.4 (met verwijzing naar Europese Commissie 2012 – Actieplan corporate governance, nr. 3.4); European Company Law Experts 2013, par. 2; Europese Commissie 2012 – Verslag toepassing Richtlijn 2004/25/EG, nr. 16; Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 290 (voetnoot 333); Snoeijer/Schreuder 2012, p. 159-160; Reflection Group 2011 – Report future of EU Company Law 2011, p. 46-47; Curtiss/Levine/Browning 2010, p. 309-310; G. Raaijmakers 2009, p. 434 en p. 440; Walker 2009 – Review, par. 5.44; Doorman 2008-2, p. 497; Papadopoulos 2007, p. 529; Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2006 – Advies dertiende richtlijn, p. 4; Nieuwe Weme 2006, p. 12; De Vlaam 2006, p. 600 en Bomans/Demoulin 2005, p. 101.
Een enkeling doet de zorgen op dit punt af als ongefundeerd, zie bijvoorbeeld Myners – Institutional Investment in the UK 2001, par. 5.82.
Commission Staff Working Document van 17 februari 2006, SEC(2006) 181, nr. 223.
Die rol wordt ook in de Nederlandse literatuur breed onderschreven, zie Doorman 2008-2, p. 497; Papadopoulos 2007, p. 529; Nieuwe Weme 2006, p. 12; Bomans/Demoulin 2005, p. 101 en Bolkestein 2003, p. 67.
OK 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández; Ondernemingsrecht 2007/53 met commentaar Leijten, r.o. 3.4.
Aldus ook Eumedion 2006 – Commentaar op wetsvoorstel 30 419, p. 2.
In Zweden, waar dat laatste gebruikelijk is (waarover uitgebreid Kuijpers 2011, p. 144-155), leidt de aanwezigheid van vier of vijf grootaandeelhouders binnen de nominatiecommissie tot discussies over de vraag of daarmee al sprake is van acting in concert, zo blijkt uit een voordracht gehouden op het European Takeover Regulation-congres op 20 april 2012. Zie Kuijpers 2011, p. 151.
Aldus Papadopoulos 2007, p. 529; De Vlaam 2006, p. 600 en Bomans/Demoulin 2005, p. 101.
Vgl. European Company Law Experts 2013, p. 5.
UK (en Ierland), België, Spanje en Italië. Datzelfde gold voor de inmiddels afgeschafte Duitse en Franse whitewash-regels.
De Commissie Tabaksblat hanteerde als omschrijving dat het bij corporate governance in essentie gaat om efficiënt toezicht op het bestuur en om een evenwichtige verdeling van invloed tussen de organen van de vennootschap, zie de verantwoording van die commissie bij de eerste corporate governance code (Code Tabaksblat) uit 2003, nr. 1 <www.corpgov.nl>. Vgl. de zes basisbeginselen inzake corporate governance van de OECD (2015) en de Global Governance Principles van het International Corporate Governance Network (2014).
Een voorbeeld is best practice bepaling I.2 uit de Nederlandse Corporate Governance Code die voorschrijft dat elke substantiële verandering in de corporate governance-structuur van de vennootschap ter bespreking aan de algemene vergadering moet worden voorgelegd.
Zie uitgebreid over alle (pogingen tot) verduidelijkingen in de toelichting inzake de acting in concertregels § 7.3.3.2 sub II.
Bij de totstandkoming van de acting in concert-regels in de Overnamerichtlijn is onvoldoende aandacht geweest voor de gevolgen van een te ruime reikwijdte van de acting in concert-regeling voor samenwerking tussen aandeelhouder. Dat is onwenselijk omdat op goede gronden kan worden aangenomen dat aandeelhouderssamenwerking een positieve bijdrage levert aan een goede corporate governance (§ 2.4). In het onderstaande licht ik toe waarom begrenzing noodzakelijk is (sub I) en waarom dat dient plaats te vinden via het materiële controlecriterium (sub II).
I. De noodzaak van begrenzing
Bij de totstandkoming van de verplicht bod-regeling is vooral aandacht geweest voor de belangen van minderheidsaandeelhouders (§ 1.2). Pas de laatste jaren is men zic gaan realiseren dat de bovengrens net zo goed belangrijk is, ook voor minderheidsaandeelhouders overigens (zie hierna). Begrenzing van de acting in concert-regeling is nodig om te voorkomen dat aandeelhouders niet meer kunnen of durven samenwerken, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de corporate governance van beursvennootschappen.1
i. Twee belangrijke veronderstellingen
Er liggen twee belangrijke veronderstellingen ten grondslag aan de stelling dat begrenzing van het materiële controlecriterium nodig is om te voorkomen dat aandeelhouders niet meer kunnen of durven samenwerken en dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor de corporate governance.
De eerste is dat aandeelhouders de acting in concert-regels vrezen en daarom minder snel zullen samenwerken. Rekening houdend met de moeilijkheid van onderzoek naar iets dat niet of minder snel plaatsvindt, er zijn signalen dat dat het geval is. Die signalen komen primair van grote aandeelhouders zelf.2 Los daarvan is er brede consensus dat onduidelijke of te strenge acting in concert-regels een reëel risico zijn voor aandeelhouderssamenwerking.3,4 Als samenwerking nog wel mogelijk is, geschiedt dat tegen hoge(re) kosten. Een institutionele belegger (Hermes) schatte de kosten van onduidelijke acting in concert-regels op 3 tot 27% van de totale kosten verbonden aan actief aandeelhouderschap.5 Veelzeggend is ten slotte dat het Engelse Takeover Panel tot twee maal toe aanleiding heeft gezien de acting in concert-regels nader te verduidelijken naar aanleiding van het fenomeen aandeelhoudersactivisme (§ 5.3.2.1). Ook de Europese toezichthouder ESMA heeft dat in 2013 om die reden gedaan (§ 3.6 en 7.4.2.2).
De tweede belangrijke veronderstelling is dat aandeelhouderssamenwerking gunstige gevolgen heeft voor de corporate governance binnen beursvennootschappen. Als gezegd bestaat daarvoor de nodige theoretische en empirische ondersteuning (§ 2.4.4). Van die veronderstelling wordt ook uitgegaan in de belangrijkste corporate governance-codes wereldwijd, waar van aandeelhouders wordt verwacht dat ze hun krachten bundelen om hun rol te kunnen vervullen in het geheel van checks and balances (§ 2.4).6 Minder normatief, maar wel degelijk met oog voor de rol van grootaandeelhouders binnen de corporate governance van een beursvennootschap, overwoog de OK inzake Stork “[…] dat Centaurus c.s., gelet op haar kwantitatieve positie als aandeelhouder van Stork, hebben te gelden als een (conglomeraat van) aandeelhouders die (dat) in de vennootschap Stork een rol van betekenis toekomen (toekomt) in het stelsel van checks and balances binnen de corporate governance van Stork […].”7 De dreiging van een verplicht bod of de onduidelijkheid daaromtrent kan ertoe leiden dat een effectieve dialoog tussen (een groep van) aandeelhouders en ondernemingsleiding wordt gefrustreerd.8 Mogelijk zijn de gevolgen voor de corporate governance van beursvennootschappen nog ingrijpender, bijvoorbeeld als aandeelhouders niet langer gezamenlijk het bestuur ter verantwoording durven roepen indien dat ernstige steken heeft laten vallen, een te riskante overname “wegstemmen” of zitting nemen in een aandeelhouderscommissie of nominatiecommissie van de RvC9. Daarvan kunnen uiteraard ook minderheidsaandeelhouders zelf nadeel ondervinden. Vanuit een ruimer perspectief kan onduidelijkheid rond de biedplicht negatieve koersgevolgen hebben voor de doelvennootschap10 en daarmee voor alle stakeholders.11
ii. Waarom zich dit in de praktijk niet oplost
Begrenzing van het materiële controlecriterium is noodzakelijk, ook wanneer men uitgaat van de veronderstelling dat minderheidsaandeelhouders geen nakoming van de biedplicht zullen vorderen als samenwerkende aandeelhouders een wijziging doordrukken die in het belang van alle aandeelhouders is, bijvoorbeeld vervanging van een niet-functionerend bestuur. Op zichzelf zal de animo in dat soort gevallen inderdaad beperkt zijn, maar dat enkele gegeven zal voor samenwerkende aandeelhouders toch onvoldoende comfort bieden. Bedacht moet worden dat een enkele aandeelhouder naar de OK kan stappen en nakoming van de biedplicht kan verzoeken (§ 16.3.3.3 sub IV); dat kan een aandeelhouder zijn met andere ideëen over de strategische koers van de vennootschap, of een partij die vanwege een ingenomen short-positie niet wil dat deze verandering wordt doorgevoerd, maar ook een partij die munt wil slaan uit een mogelijke onderhandelingspositie.
II. Waarom begrenzing via de invulling van het materiële controlecriterium?
Het ligt het meest voor de hand om de reikwijdte van de acting in concert-regeling te begrenzen in het materiële controlecriterium zelf. Zoals eerder al aan de orde kwam, bestaat er op dit moment nog geen in het kader van de biedplicht bruikbaar controlecriterium (§ 7.4.2.3). Bij de invulling van dat nieuwe criterium kan dus optimaal rekening worden gehouden met alle betrokken belangen. Bovendien zijn de thans bestaande manieren om de scherpe kanten van de biedplicht te halen niet voldoende om van een begrenzing zoals hiervoor bedoeld te kunnen spreken.
i. Whitewash
Naar thans geldend recht is het mogelijk dispensatie van de biedplicht te vragen (whitewash), maar daarvoor is de instemming van 90% van de overige aandeelhouders nodig (§ 15.2.4). In theorie zou het instrument van de whitewash geschikt zijn om gewenste vormen van samenwerking plaats te laten vinden in gevallen waarin onduidelijkheid bestaat over een eventuele biedplicht. Maar, daarvoor moet dan wel een lagere drempel worden vastgesteld (§ 15.2.4.4). Daarmee zou de Nederlandse regeling ook beter aansluiten bij de ons omringende landen, waar een gewone meerderheid volstaat.12
ii. Ontheffing
Een andere mogelijkheid is ontheffing van de biedplicht door de OK. Maar, dat kan op dit moment slechts indien de doelvennootschap in financiële nood verkeert (§ 15.6.2). Door deze beperking is de ontheffingsmogelijkheid ongeschikt om de verplicht bodregeling van haar rigiditeit te ontdoen; verruiming van de ontheffingsgronden is noodzakelijk, vooral waar het gaat om de acting in concert-regels (§ 15.6.2.3).
iii. Vrijstelling
Van een vrijstelling voor samenwerking die strekt tot verbetering van de corporate governance (§ 15.4.2 en § 10.3.4) of een wettelijk vermoeden dat in dat geval geen sprake is van acting in concert (§ 11.4.4) ben ik geen voorstander. Het belangrijkste bezwaar is dat het nu eenmaal niet goed mogelijk is om corporate governance-samenwerking te onderscheiden van “gewone” samenwerking. Er bestaat weliswaar een zekere consensus over wat corporate governance inhoudt13 en in sommige gevallen kan geen twijfel bestaan of een onderwerp corporate governance-gerelateerd is14, maar van een vastomlijnd criterium is geen sprake. Ook als men het begrip corporate governance niet gebruikt, maar uitgaat van bepaalde bevoegdheden, die in dat kader relevant zijn, zoals men in Italië heeft gedaan – net als ESMA overigens (§ 7.4.2.2) – bestaat snel discussie over de keuze voor de specifieke onderwerpen. Het verbaast ook niet dat de Nederlandse wetgever niet veel verder is gekomen dan een tweetal verduidelijkingen ten aanzien van corporate governance15. In de eerste plaats is opgemerkt dat het doel de zeggenschap te verwerven:
“[…] doorgaans zal ontbreken indien een voorvergadering plaatsvindt met het oogop het gezamenlijk innemen van standpunten over de hoofdlijnen van de corporategovernance van een vennootschap en de informatievertrekking daaromtrent door dievennootschap”.16
Later werd daar nog aan toegevoegd dat hetzelfde heeft te gelden:
“[…] indien de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen aandeelhouders op hetgebied van corporate governance van een vennootschap betrekking heeft op een meereffectieve besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders of hetbevorderen van de dialoog met de vennootschap”.17
Ook ESMA geeft in de white list geen omschrijving wat onder corporate governance moet worden verstaan. In plaats daarvan noemt zij een aantal gevallen die onder het nastreven van good governance kunnen worden beschouwd:
“ESMA recognises that shareholders may wish to cooperate in a variety of ways and inrelation to a variety of issues for the purpose of exercising good corporate governancebut without seeking to acquire or exercise control[…]over the companies in which theyhave invested. Cooperation might consist of discussing together issues that could beraised with the board[…], making representations to the board on those issues, ortabling or voting together on a particular resolution. The issues on which shareholdersmight cooperate could include: commercial matters (such as particular acquisitions ordisposals, dividend policy, or financial structuring); matters relating to the managementof the company (such as board composition or directors’ remuneration); or mattersrelating to corporate social responsibility (such as environmental policy or compliancewith recog-nised standards or codes of conduct).”
iv. Resultaat- in plaats van doelcriterium
Voor de volledigheid merk ik nog op dat een alternatieve begrenzing van de biedplicht zou kunnen zijn het inruilen van het thans geldende doelcriterium, waarbij de biedplicht geactiveerd wordt op het moment dat partijen de controle beogen, voor het resultaatcriterium, waarbij een biedplicht pas ontstaat indien de samenwerking daadwerkelijk tot controleverwerving leidt. Begrenzing langs deze weg heeft niet mijn voorkeur omdat aan het resultaatcriterium verschillende bezwaren zijn verbonden, die niet opwegen tegen de voordelen ervan (§ 6.2.2).