Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/3.3.4.2
3.3.4.2 Inbreng van genot (zuiver genot en economische eigendom)
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385833:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7A:1662 lid 2 BW verwijst nog naar de per 1 augustus 2003 vervallen huurbepalingen van art. 7A:1584-1623 BW, maar nergens is uit gebleken dat het de bedoeling was de huurbepalingen buiten het bereik van de inbreng in een personenvennootschap te brengen. Bovendien zouden de bepalingen over huur ook onder het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen van overeenkomstige toepassing zijn op de inbreng van genot. NB: In de wet of de parlementaire geschiedenis bij het huidige personenvennootschapsrecht is over inbreng van economische eigendom niets bepaald, wat niet bevreemdt als men bedenkt dat de figuur economische eigendom een relatief nieuwe rechtsfiguur is. Bij de parlementaire behandeling van het Wetsvoorstel personenvennootschappen is wel gesteld dat de huurbepalingen van toepassing zijn op ‘genot’, waaronder zowel zuiver genot als economische eigendom werd begrepen. Niet is gebleken dat hiermee een afwijking van huidig recht zou zijn beoogd. Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 746, 3, p. 13.
Van Olffen 1986.
Kamerstukken II 1982/83, 17896, 3, p. 9 en Van Solinge 1974, p. 146.
Eveneens Asser/Maeijer 5-V 1995/169 en Asser/Van Olffen 7-VII* 2010/169.
Heyman 2003, p. 207. Ook Van der Smit 1987, p. 47 meent dat de eigenaar niet mag beschikken (verbintenisrechtelijk), maar dit wel kan (zakenrechtelijk).
HR 8 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4564, NJ 1983/646 (De Kleine Comedie).
HR 11 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4293, NJ 1982/239 (Van de Veerdonk/KnijnenbergB.V.); HR 25 januari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0122, NJ 1992/172 (Tribosa/Zuid-Arcade); Hof ’s-Hertogenbosch 6 februari 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4846, WR 2007/ 78 (Bavaria Vertriebs GmbH/Furness Logistics (Dordrecht) BV). Dit geldt niet als de verhuurder het goed opnieuw verhuurt, het daadwerkelijk aan de huurder ter beschikking stelt én de nieuwe huurder ten tijde van ingebruikname te goeder trouw was; zie Hof Amsterdam 20 maart 1969, ECLI:NL:GHAMS:1969:AC4917, NJ 1969/288 (Dubbel verhuurde woning).
Van Olffen 1986, p. 716.
Zo ook Van Solinge 1974, p. 146. Betoogd zou overigens nog kunnen worden dat de verwijzing naar de koop- en huurbepalingen in art. 7A:1662 BW slechts dient om de inbreng zelf te regelen en dat de bepalingen zijn uitgewerkt als eenmaal is ingebracht. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de toepasselijkheid van deze bepalingen een dergelijke beperkte strekking heeft.
Onder bijzondere omstandigheden handelt ook de rechtverkrijgende A, die weet dat vennoot X door de overdracht wanprestatie pleegt jegens de VOF, onrechtmatig jegens de VOF (vgl. Du Perron 1999, p. 152 e.v. en de daar vermelde jurisprudentie). Naast wetenschap van de wanprestatie van X moet A bijvoorbeeld de wanprestatie hebben uitgelokt of bevorderd (Du Perron 1999, p. 149-151), maar ook het risico dat het meewerken aan contractbreuk anderen ertoe brengt om soortgelijke contracten niet na te komen, is een zwaarwegende omstandigheid (HR (Civiele kamer) 4 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB6841, NJ 1965/381). Een omstandigheid die het handelen van A onrechtmatig jegens de VOF kan maken, is onevenredigheid tussen het belang van A en het belang van de VOF (Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:740).
In HR 6 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB7224, NJ 1974/140, m.nt. B. Wachter.
Legt de rechtsopvolger de plicht niet op aan zíjn rechtsopvolgers, dan pleegt hij wanprestatie jegens de vennoot. Zijn rechtsopvolgers die het beding bewust niet respecteren, handelen onder omstandigheden onrechtmatig jegens de vennoot, HR 10 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1876, r.o. 3.3,NJ 1996/270, m.nt. P.A. Stein (Luttikhuizen/VanMourik).
Op de inbreng van economische eigendom en zuiver genot zijn de bepalingen over huur van toepassing (art. 7A:1662 lid 2 BW).1 Uitgezonderd zijn de bepalingen tegen toepasselijkheid waarvan de aard van de rechtsverhouding (tussen inbrenger en overige vennoten2 ) zich verzet, in het bijzonder die bepalingen die beogen een verondersteld zwakkere partij te beschermen tegen de sterkere partij.3 De toepasselijkheid van regels over huur van bedrijfsruimte (nu art. 7:290-310 BW) en van woonruimte (art. 7:232-282 BW) is expliciet in art. 7A:1662 BW uitgesloten.4 De inbrenger van genot is verplicht de zaak ter beschikking te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is (art. 7:203 BW), waarmee samenhangt de plicht om in te staan voor gebreken (art. 7:203 BW) en de verplichting om de VOF te beschermen tegen rechtsstoornis (art. 7:211 BW).5
Omdat de inbrenger juridisch eigenaar blijft, blijft hij beschikkingsbevoegd ten aanzien van zijn juridische eigendom. Hij moet er echter wel voor zorgen dat het genot bij de VOF blijft. Een vraag die rijst, is of het genot verloren kan gaan door overdracht van het goed aan een derde. Hierover zijn de meningen verdeeld. Vóór de stelling dat het genot niet verloren kan gaan, wordt wel aangevoerd dat het ingebrachte recht op genot als vordering valt in de gebonden goederengemeenschap waarover de vennoten niet vrijelijk kunnen beschikken (de verkrijger kan eventueel wel een beroep doen op art. 3:86 BW6 ).7 Een argument hiertegen is dat bij vervreemding van het goed helemaal niet wordt beschikt over het recht van de vennootschap, maar slechts over het goed zelf.8 Weliswaar kan de VOF haar vorderingsrecht in beginsel niet aan de verkrijger van het goed tegenwerpen, maar dit is enkel het gevolg van het feit dat een vordering slechts een persoonlijk recht geeft jegens de wederpartij. De vraag wordt ook wel beantwoord aan de hand van de ‘koop breekt geen huur’- bepaling als bedoeld in art. 7:226 BW (oorspronkelijk art. 1612 BW), die niet expliciet is uitgesloten in art. 7A:1662 lid 2 BW. Bij toepassing van deze bepaling zouden alle rechten en plichten van de inbrenger (die immers gelijk wordt gesteld aan een verhuurder) bij beschikking over zijn eigendom overgaan op zijn rechtverkrijgende. Onder meer zou dit betekenen dat ook de rechtverkrijgende het genot van de VOF moet respecteren9 ; eventuele onbekendheid met het genotsrecht komt voor zijn rekening.10 Van Olffen heeft verdedigd dat het toepasselijk verklaren van de huurbepalingen op de inbreng van genot is ingegeven ter bescherming van de continuïteit van de vennootschappelijke activiteiten, hetgeen pleit voor toepasselijkheid van de vennootschap beschermende huurbepalingen als ‘koop breekt geen huur’.11 In zijn bewerking van het Asser-deel over personenvennootschappen verdedigt hij de stelling dat aan analogische toepassing van de koop breekt geen huur-bepaling doorgaans geen behoefte zal bestaan, omdat het ingebrachte recht op genot valtin de gebonden goederengemeenschap zodat aan dit recht in beginsel geenafbreuk kán worden gedaan.12
Mijns inziens beschikt de vennoot die zijn privé-eigendom aan een derde overdraagt (hetgeen kan en mag) daarmee niet over een vorderingsrecht van de VOF (hetgeen niet kan en mag). Het gevolg van de overdracht kan zijn dat de vennoot niet langer zijn verplichting jegens de VOF kan nakomen (het verschaffen van genot heeft immers geen zaaksgevolg), maar dit is iets anders dan dat hij over een vordering van de VOF zou hebben beschikt. Voor overeenkomstige toepassing van art. 7:226 BW, welk artikel de ongelijkheid tussen huurder en verhuurder beoogt te compenseren, is mijns inziens geen plaats, omdat de aard van de rechtsverhouding (samenwerking op voet van gelijkwaardigheid) zich daartegen verzet.13
De vennoot die wegens voor zijn rekening komende omstandigheden niet langer kan voldoen aan zijn verplichting om de VOF het genot van een zaak te verschaffen, pleegt wanprestatie jegens de VOF en is gehouden de door haar geleden schade te vergoeden.14 Als het verlies van het genot niet aan hem te wijten is, dan kan de billijkheid meebrengen dat hij verplicht is om hetgeen hij voor het verlies heeft ontvangen ter beschikking te stellen aan de VOF. Illustratief is een zaak waarin een vennoot het genot van zijn landbouwgrond had ingebracht.15 Toen de grond onteigend werd en het genot van de maatschap verloren ging, als gevolg waarvan de inkomsten van de maatschap verminderden, eiste de billijkheid van de vennoot dat hij hetgeen hij in verband met de onteigening ontvangen had (deels) ter beschikking van de maatschap stelde.
De inbrenger van genot die zijn juridische eigendom wil vervreemden doet er verstandig aan om met zijn rechtsopvolger overeen te komen dat deze (en zijn rechtsopvolgers onder bijzondere titel, door een kettingbeding overeen te komen16 ) het genot van de VOF respecteert. Betreft de inbreng het genot van een registergoed, dan kan bij overeenkomst de kwalitatieve verplichting worden opgenomen dat de inbrenger en zijn opvolgend verkrijger het genot van de VOF dulden (art. 6:252 lid 1 BW). Een dergelijke verplichting werkt ook jegens een verkrijger onder bijzondere titel en een latere verkrijger van een gebruiksrecht (art. 6:252 lid 2 BW) indien van deze overeenkomst een notariële akte is opgemaakt die is ingeschreven in de openbare registers.17