Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.2.3
4.2.3 Een recht van de meerderheidsaandeelhouder
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599985:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 27 september 2005 (ro. 3.15), JOR 2005/272 (Versatel). Zie met min of meer dezelfde overwegingen ook Hof Den Bosch 19 september 2006 (ro. 4.3.6), JOR 2007/1 (Cab Truck/Limij).
Leijten (2007), p. 266; Stibbe (2007), p. 273; Van den Heuvel (2007), p. 155; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/678.
Aldus ook Leijten (1999), p. 208.
O.m. HR 14 september 2007 (ro. 4.3), NJ 2007/610; JOR 2007/237 (Versatel); OK 20 december 2007, JOR 2008/36 (Shell); Van der Korst (2008); Berendsen/Van Thiel (2008); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/677; Leijten (2009), p. 206; Van Leeuwen (2011); Assink (2013), p. 2466-2467; Storm (2014), p. 324-329.
Kamerstukken II 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 2. Vgl. OK 10 december 1992 (ro. 3.5), NJ 1993/324 (Billiton). Tijdens de parlementaire behandeling van de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW stelt de PvdA-fractie nog tevergeefs een verplichte minnelijke regeling voor. De minister acht een dergelijke regeling echter minder zinvol, omdat het volgens hem voor zich spreekt dat een meerderheidsaandeelhouder die tot uitkoop wenst over te gaan, eerst zal trachten met de minderheid in der minne tot overeenstemming te komen. Zie Kamerstukken II 1987-1988, 18 904, nr. 41, p. 2 en nr. 41a, p. 2.
De mogelijkheid van uitkoop is een recht van de meerderheidsaandeelhouder. In de uitkoopprocedure inzake Versatel uit 2005 overweegt de OK dit met zoveel woorden:
“Nu het derhalve in de eerste plaats gaat om een rechtsfiguur die is bedoeld om het belang van een meerderheidsaandeelhouder te dienen, kan er geen sprake zijn van “ontduiking” van de uitkoopregeling indien die meerderheidsaandeelhouder van die rechtsfiguur geen gebruik kan of wenst te maken. Omgekeerd kan immers – althans op basis van de (nationale) wettelijke regeling zoals die thans luidt – ook niet worden gezegd dat een minderheidsaandeelhouder het recht heeft om uitgekocht te worden. De omstandigheid dat de uitkoop als zodanig met wettelijke waarborgen ter bescherming van de belangen van de minderheidsaandeelhouder is omgeven, maakt zulks niet anders.”1
Dit betekent onder meer dat op een meerderheidsaandeelhouder niet de verplichting rust om een minderheid uit te kopen, indien hij ten minste 95% van het geplaatste kapitaal verschaft.2 Met andere woorden: de mogelijkheid van uitkoop is een recht en geen plicht.
Daarnaast is een meerderheidsaandeelhouder vrij in de wijze waarop hij de resterende aandelen in de vennootschap probeert te verkrijgen.3 Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs door middel van een uitkoopprocedure te geschieden. Hij kan ook kiezen voor alternatieve methodes van uitstoting, zoals een juridische (drie-hoeks)fusie of een activa/passiva transactie.4
Deze vrijheid is in de situatie na een openbaar bod overigens relatief, omdat de minderheid op grond van het verkooprecht van art. 2:359d BW de meerderheidsaandeelhouder kan dwingen haar aandelen alsnog over te nemen.
Tot slot is het niet vereist dat de meerderheidsaandeelhouder eerst tracht door middel van een minnelijke regeling de aandelen van de minderheid te verwerven.5 Hij kan direct een vordering tot uitkoop instellen.