Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.2.1
4.2.1 Een belangenafweging
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596512:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW: Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 5; Kamerstukken I 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 1. Zie voor de bijzondere uitkoopregeling van art. 2:359c BW: Burkart/Panunzi (2004), p. 754; Commissie-Winter (2002a), p. 60. Bij de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW ligt de nadruk meer op de regeling als sluitstuk van een geslaagd openbaar bod (§ 4.2.2 sub b).
Kamerstukken I 1987-1988, 18 904, nr. 41a, p. 1. De wetgever wijst daarbij op de bevoegdheden die de wet toekent ‘aan de houder van een aandelenbezit van 10%, zoals de bevoegdheid, na machtiging, een algemene vergadering bijeen te roepen (de artikelen 110 en 220 van boek 2) of de bevoegdheid om een enquête-verzoek te doen (artikel 346 van boek 2).’ Door een aantal wetswijzigingen geldt thans niet langer dat aan de aandeelhouders met een belang kleiner dan 5% in het geheel geen bijzondere bevoegdheden meer toekomen. Voor het bijeenroepingsrecht in een BV geldt ingevolge art. 2:220 BW een kapitaalbelang van 1% en ook het enquêterecht bij ‘grote’ vennootschappen komt op grond van art. 2:346 lid 1 sub c BW toe aan de houders van aandelen die tenminste 1% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Evenzo Van der Grinten (1991), p. 4; Handboek (1992), p. 327.
Evenzo Van Vliet (1999), p. 2-3.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. 3, p. 6. Aldus ook Houwen (1988), p. 18.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. C, p. 5 en nr. 17, p. 1. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel stelde de Raad van State tevergeefs voor om de vordering tot uitkoop af te wijzen indien de belangen van de houder van 95% of meer van de aandelen niet in ernstige mate worden geschaad door het feit dat de overige aandelen zich in handen van anderen bevinden. Zie hierover ook § 3.2.2 sub a.
Houwen (1988), p. 18; Joosten (1991), p. 34; Leijten (2003), p. 63.
OK 10 december 1992, NJ 1993/324; TVVS 1994, 132 (Billiton). Zie eveneens afwijzend inzake belangenafweging HR 16 januari 2004 (ro. 3.4), NJ 2004/184; JOR 2004/35 (Fres-Co System); OK 12 juli 1990 (ro. 3.7), rolnr. 690/89, n.g. (Blankhout Nederland Franchising).
Zie OK 10 december 1992, NJ 1993/324; TVVS 1994, 132 (Billiton); OK 2 november 1995, TVVS 1996, p. 172 (Bene-Fin); OK 3 april 1997 (ro. 4.2), JOR 1997/80 (Hotel de l’Europe); OK 8 januari 2004 (ro. 3.3), JOR 2004/74 (Conservatrix).
De uitkoopregeling behelst in haar kern een belangenafweging. Het gaat om een afweging tussen de belangen van de meerderheidsaandeelhouder en de minderheidsaandeelhouders.
De meerderheidsaandeelhouder ondervindt groot nadeel door de aanwezigheid van een kleine groep minderheidsaandeelhouders binnen de vennootschap (§ 4.2.2 sub a).1 Deze nadelen zijn volgens de wetgever alleen weg te nemen door middel van de gedwongen uitkoop. De gedachte is dat het belang van de meerderheidsaandeelhouder bij het wegnemen van deze bezwaren, zwaarder weegt dan het belang van de minderheid om haar aandelen te behouden. Aan de houders van een dergelijk klein belang komen geen bijzondere rechten toe, zij hebben slechts een financieel belang.2 De gedwongen overdracht is gerechtvaardigd, mits de minderheid een compensatie ontvangt voor het verlies van haar financiële belang.3
Het gaat om het geheel aan bezwaren voor de meerderheidsaandeelhouder, waartegen het belang van de minderheid niet opweegt.4 Een afzonderlijk bezwaar biedt niet voldoende grondslag voor de gedwongen overdracht. De uitkoper hoeft echter niet aan te tonen dat deze bezwaren daadwerkelijk aanwezig zijn en het wegnemen hiervan zwaarder weegt dan het belang van de minderheid. Een afweging is reeds door de wetgever bij de totstandkoming van de regeling gemaakt, waardoor voor een belangenafweging door de OK geen ruimte bestaat.5 De belangenafweging betreft dus een abstracte belangenafweging op wetgevingsniveau.6 De OK heeft dit uitgangspunt een aantal keer bevestigd:
“…leidt het hof af dat het belang van de meerderheidsaandeelhouder, die aan het in artikel 201a lid 1 gestelde criterium voldoet, bij verwerving van de door anderen gehouden aandelen, (…) per definitie zwaarder dient te wegen dan de belangen van de buitenstaande minderheidsaandeelhouders.
(…)
In het algemeen geldt dat – buiten de in de wet genoemde gevallen – voor een afweging van de wederzijdse belangen in een geschil als het onderhavige geen plaats is.”7
De uitkoper hoeft dus niet aan te tonen dat hij een belang bij de uitkoopprocedure heeft: zijn belang wordt verondersteld.8 Het is voldoende dat hij aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet. Wel acht ik het mogelijk dat de OK een vordering tot uitkoop onder omstandigheden afwijst op grond van misbruik van bevoegdheid (§ 8.4).