Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.1:2.1 Inleiding
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258920:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 2 februari 1995, houdende inwerkingtreding van de Wet van 22 december 1994 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW), Stb. 1994, 955; Kamerstukken 1994/95, 23985.
Wet van 28 juni 2006 tot wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de wijziging van het WW-stelsel (Wet wijziging WW-stelsel), Stb. 2006, 303; Kamerstukken 2005/06, 30370.
Wet van 14 juni 2014, Stb. 2014, 216; Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onder de WW verzekerd risico is werkloosheid, maar de verzekerde heeft geen recht op een uitkering van onbeperkte duur. De werkloze krijgt – afhankelijk van het arbeidsverleden – gedurende een bepaalde periode een uitkering om zo in financiële rust een volgende baan te zoeken. Zo bestond bij de invoering van de WW in 1987 de uitkering uit een loongerelateerde basisuitkering van zes maanden, een verlenging van die loongerelateerde basisuitkering afhankelijk van het fictieve en feitelijk arbeidsverleden en een vervolguitkering op minimumniveau. De duur van de uitkering was maximaal vijf jaar. Die duur in 1987 is het ijkpunt (paragraaf 2.2 en 2.3), want in dit onderzoek worden latere wijzigingen met betrekking tot de duur van de WW daarmee vergeleken.
Het wijzigen van de duur heeft een direct effect op de uitkering en is een instrument dat relatief makkelijk gebruikt kan worden om het volume van de WW-uitkeringen te verminderen. Er zijn vanaf de invoering van de WW in 1987 een drietal grote wijzigingen van de duur in artikel 42 WW geweest, namelijk de wijziging in 19951 (paragraaf 2.5), de verkorting in 20062 (paragraaf 2.7) en de verkorting in 20143 (paragraaf 2.8). Een afschaffing van een bepaalde vorm van een uitkering heeft ook invloed op de duur van de WW voor bepaalde groepen (jongeren, vrouwen etc.) en werkt daarmee volumebeperkend. Daarom kwalificeer ik wijzigingen als de verlenging van de vervolguitkering in 1995 (paragraaf 2.5.2), de afschaffing van de vervolguitkering in 2003 (paragraaf 2.6), de wijzigingen in de basisuitkering en de kortdurende uitkering in 2006 (paragraaf 2.5 en 2.7) ook als sturingsinstrumenten in dit hoofdstuk. Daarnaast zijn er door de jaren heen een aantal wijzigingen geweest die invloed hebben gehad op de berekening van het arbeidsverleden, zoals de herziening van de arbeidsverledeneis in 1991 en 2013 (paragraaf 2.4). De jurisprudentie omtrent het arbeidsverleden van de WW’er (paragraaf 2.3 en 2.4.3) is van belang voor het bepalen van de duur van de uitkering, maar ook voor de referte-eisen (toegangseisen). Het instrument van de wijziging van de referte-eis behandel ik in hoofdstuk 3, maar bij de wetswijziging van 1995 ga ik ook in op de wijziging van de referte-eisen. De (basis)uitkering bij het voldoen aan de wekeneis, de verlenging van de vervolguitkering en de referte-eisen zijn bij de wetswijziging in 1995 immers gezamenlijk aangepakt (paragraaf 2.5). De argumenten voor de wetswijzigingen met betrekking tot de duur zullen in dit hoofdstuk nader worden onderzocht om tot slot de invloed op de rechtspositie van (groepen) WW’ers te analyseren (paragraaf 2.9).