Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/2.2
2.2 Relevante politieke ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197387:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bates 2010, p. 34.
Vande Lanotte & Heack 2005, p. 60.
Bates 2010, p. 46.
Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 37.
Vande Lanotte & Haeck 2004, p. 36.
Het Statuut van de Raad van Europa is op 5 mei 1949 ondertekend door de ministers van buitenlandse zaken van de lidstaten en in werking getreden op 3 augustus 1949. Zie over doelstelling en organen van de Raad van Europa verder Vande Lanotte en Haeck 2005, p. 38-56 en Bates 2010, p. 49-51.
In 1949/1950 traden achtereenvolgens de volgende landen toe tot de Raad van Europa: Griekenland (augustus 1949), Turkije (augustus 1949), IJsland (maart 1950) en Duitsland (juli 1950).
Vande Lanotte & Haeck 2005, p. 41.
Bates 2010, p. 50.
De internationale bescherming van mensenrechten kreeg na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog vorm door de oprichting van de Verenigde Naties (VN) in 1945. Volgens de preambule bij het Handvest van de Verenigde Naties was het doel om “komende geslachten te behoeden voor de gesel van de oorlog, die tweemaal in ons leven onnoemelijk leed over de mensheid heeft gebracht, en opnieuw ons vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen, alsmede voor grote en kleine naties, en omstandigheden te scheppen waaronder gerechtigheid, alsmede eerbied voor de uit verdragen en andere bronnen van internationaal recht voortvloeiende verplichtingen kunnen worden gehandhaafd, en sociale vooruitgang en hogere levensstandaarden in grotere vrijheid te bevorderen.” Het charter van de VN wordt gekenmerkt door een grote mate van vrijblijvendheid voor de Staten. Er was geen mensenrechtencatalogus en er bestonden geen instrumenten om de bescherming van mensenrechten af te dwingen.1
Een mijlpaal voor de mensenrechtenbescherming was de in 1948 door de lidstaten van de VN overeengekomen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Deze internationale bill of rights bevat een verzameling van algemeen geformuleerde mensenrechten, waaronder het eigendomsrecht. Algemeen wordt aangenomen dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet meer is dan een beginselverklaring, die niet juridisch afdwingbaar is.2 Een burger kan er dus geen concrete rechten aan ontlenen.
Het recht op eigendom is opgenomen in artikel 17 UVRM en is volgt geformuleerd:
“Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen. Niemand mag willekeurig van zijn eigendom worden beroofd.”
Het eigendomsrecht van artikel 17 UVRM laat aan duidelijkheid te wensen over. Wat is ‘eigendom’; wat is ‘willekeurig’ en wat is een ‘eigendomsberoving’? Gelet op het karakter van de UVRM als beginselverklaring werd een nauwkeuriger formulering van het eigendomsrecht kennelijk niet nodig geacht. Evenals artikel 1 Eerste Protocol, was artikel 17 UVRM een compromis tussen verschillende opvattingen over eigendom en het resultaat van een moeizaam drafting proces.
De stappen die de VN zetten om mensenrechten in internationaal verband te beschermen, gingen de West-Europese democratische landen niet snel genoeg. Er had na de Tweede Wereldoorlog een omslag plaatsgevonden in het politieke klimaat, waardoor de spanning tussen het westen en de Sovjetunie was opgelopen.3 Aan het einde van de jaren veertig werd Europa gesplitst door ‘een ijzeren gordijn’. Er waren communistische regimes aan de macht in Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, en Duitsland was in tweeën gedeeld. Door de verslechterende verhoudingen met de Sovjetunie en haar Oost-Europese satellieten verliepen de vergaderingen in de VN steeds moeizamer.4 Door deze ontwikkelingen groeide bij de West-Europese landen de behoefte aan onderlinge samenwerking op verschillende terreinen. Op militair gebied kreeg de wens tot samenwerking gestalte door de oprichting van de NAVO in 1949 en op economisch gebied door de oprichting van de voorloper van de huidige OESO in 1947.
Tijdens het ‘Congres van Europa’, dat in mei 1948 in Den Haag plaatsvond onder voorzitterschap van Winston Churchill, wisselden een groot aantal personen afkomstig uit 24 Europese landen en de Verenigde Staten en Canada met elkaar van gedachten over de toekomst van Europa. In een slotverklaring (‘message to Europeans)’ werd de wens uitgesproken om te komen tot een Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de oprichting van een Court of Justice waar de in het verdrag opgenomen rechten afgedwongen kunnen worden. Volgend op dit congres werd op 25 november 1948 de Europese Beweging opgericht. Dit was een permanent, officieus, platform dat streefde naar Europese integratie.5 Op politiek niveau werd de (West-)Europese samenwerking verder vorm gegeven door de oprichting van de Raad van Europa in 19496 door België, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.7 Het doel van deze intergouvernementele organisatie is blijkens haar Statuut “to achieve a greater unity between its members for the purpose of safeguarding and realising the ideals and principles which are their common heritage and facilitating their economic and social progress”. Tot haar idealen behoren onder meer de bescherming en versterking van de democratie en respect voor de mensenrechten en de rechtsstaat.8 De Raad van Europa kende twee organen: het Comité van Ministers (waarin de lidstaten waren vertegenwoordigd) en de Raadgevende vergadering (thans de Parlementaire Assemblée). Alleen het Comité van Ministers was bevoegd om beslissingen te nemen. De Raadgevende Vergadering was een overlegorgaan, dat aanbevelingen kon doen aan het Comité van Ministers.9