Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/2.4:2.4 Conclusie
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/2.4
2.4 Conclusie
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197368:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het feit dat het eigendomsgrondrecht is opgenomen in het Eerste Protocol bij het EVRM mag niet worden afgeleid dat de verdragsopstellers dat recht minder belangrijk vonden dan de wel in het EVRM opgenomen rechten. Velen waren juist voorstander van opname van het eigendomsgrondrecht. Een socialistische minderheid in de Raadgevende Vergadering was evenwel beducht voor de beperkingen die het eigendomsrecht stelde aan de mogelijkheden van de staat om eigendom te reguleren of onteigenen. Door de verschillende opvattingen over eigendom van de leden van de Raadgevende Vergadering, maar ook bij het Comité van Ministeres, bleek het bijzonder lastig om overeenstemming te bereiken over de formulering van een eigendomsgrondrecht. De tekst van artikel 1 Eerste Protocol is het resultaat van moeizame onderhandelingen en kan gezien worden als een compromis tussen de verschillende, met name tussen socialistische en liberale opvattingen over eigendom. De verdragsopstellers waren zich bewust van het spanningsveld tussen het eigendomsgrondrecht en belastingheffing. De verplichting om belasting te betalen vermindert immers het inkomen of vermogen dat iemand voor zichzelf kan besteden en is dus een aantasting van de “peaceful enjoyment of his possessions.1 De tweede alinea van artikel 1 Eerste Protocol stelt echter buiten twijfel dat het recht op ongestoord genot van eigendom de Staat niet verhindert om de heffing en invordering van belastingen te verzekeren. Als deze tekst letterlijk wordt genomen, valt te verdedigen dat een eigendomsaantasting door belastingmaatregelen in principe buiten de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol valt. Dit lijkt ook te zijn waar de verdragsopstellers van uitgingen (zie met name het antwoord van Sir David Maxwell-Fyfe op de vraag van Miss Bacon en de toelichting bij het definitieve tekstvoorstel in par. 2.3 hierboven). Het ging in 1949-1952 blijkbaar nog een stap te ver om de soevereiniteit van de Staat op belastinggebied door een internationaal verdrag te beperken. Wel werd een rol gezien voor het eigendomsrecht als belastingmaatregelen neerkwamen op arbitraire confiscatie. Daarover lijkt geen discussie te hebben bestaan tussen de verdragsopstellers. Deze opvatting over de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol kan inmiddels als achterhaald worden beschouwd, maar heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw nog enige tijd sporen nagelaten in de rechtspraak van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens.2 Doordat het EHRM het verdrag ziet als een ‘living instrument’ is het recht op eigendom thans ook relevant wanneer de overheid gebruik maakt van zijn bevoegdheid om belastingen te heffen of in te vorderen en zeker niet alleen bij arbitraire onteigening.