Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/11.6.2.2
11.6.2.2 Het doel van art. 4 Moeder-dochterrichtlijn
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297087:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ten aanzien van de Moeder-dochterrichtlijn HvJ EG 17 oktober 1996, zaken C-283/94, C-291/94 en C-292/94 (Denkavit International, VITIC Amsterdam en Voormeer), r.o. 22 en 26; HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-375/98 (Epson Europe BV), r.o. 20 en 24; HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-294/99 (Athinaiki Zythopoiia), r.o. 24; en HvJ EG 25 september 2003, zaak C-58/01 (Océ van der Grinten), r.o. 45.
Zie J. Anweiler, Die Auslegungsmethoden des Gerichtshofs der Europäischen Gemeinschaften, Schriften zum internationalen und zum öffentlichen Recht Bd. 17, Frankfurt am Main: Lang 1997, p. 263. Zie ook G. Maisto, ‘The EC Court’s Interpretation of the Parent-Subsidiary Directive under the Denkavit Case’, Intertax 1997/5, p. 185.
COM (69) 6.
Dit voorstel week op een aantal punten substantieel af van de Moeder-dochterrichtlijn. Zo voorzag het voorstel van 1969 in de mogelijkheid om een buitenlandse dochtervennootschap, waarin een meerderheidsbelang werd gehouden, te consolideren. Verder werd in het voorstel van 1969 gekozen voor vrijstelling van dividend door de moedermaatschappij terwijl de Moeder-dochterrichtlijn een keuze tussen het vrijstellingssysteem en een verrekeningssysteem toestaat. Zie BJ.M. Terra en PJ. Wattel, European Tax Law, Fiscale studieserie nr. 29, Deventer: Fed 2005, p. 492 (fourth edition).
Het Hof van Justitie EG kent tevens betekenis toe aan het doel van de richtlijn.1 In dit kader is punt 2 van de preambule van Richtlijn 2003/123/EG van 22 december 2003 van belang. Daaruit blijkt namelijk dat de Moeder-dochterrichtlijn betrekking heeft op ‘dividenden en andere winstuitkeringen’ van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappijen. De term ‘uitgekeerde winst’ omvat dus in ieder geval ‘dividenden’. Onder ‘uitgekeerde winst’ vallen echter niet alleen ‘dividenden’ maar ook ‘andere winstuitkeringen’. Wat wordt bedoeld met dividenden en andere winstuitkeringen wordt niet verduidelijkt.
Uit het opschrift van art. 4 blijkt met zoveel woorden dat met de term ‘winst’ gedoeld wordt op winst die belast is geweest bij de dochteronderneming. Dit opschrift luidt namelijk: ‘Voorkoming economisch dubbele belasting door lidstaat van (vaste inrichting van) moedermaatschappij.’ Het is kennelijk niet de bedoeling dat art. 4 Moeder-dochterrichtlijn van toepassing is op aftrekbare uitkeringen van winst. In dat geval is immers geen sprake van economisch dubbele belastingheffing over de uitgekeerde winst.
De ontstaansgeschiedenis van een regel is in de jurisprudentie van het Hof van ondergeschikt belang. Bij de uitleg van het secundaire recht wordt zij nog wel te hulp geroepen ter ondersteuning van een teleologische interpretatie van een regel.2 Er is echter geen toelichting bij de Moeder-dochterrichtlijn verschenen. Dit houdt verband met de wijze waarop de Moeder-dochterrichtlijn tot stand is gekomen. Het eerste voorstel voor de Moeder-dochterrichtlijn, dat dateert van 16 januari 1969,3 was wel voorzien van een toelichting.4 Art. 4 van het voorstel van 1969 bepaalde dat ‘uitgekeerde winst’ die de moedermaatschappij ontving ‘als vennoot’ van haar dochteronderneming geen deel uitmaakte van haar belastbare winst. In de toelichting op deze bepaling werd echter niet ingegaan op de interpretatie van de term ‘uitgekeerde winst’.