Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.2.4:I.3.5.2.4 Inhoud afhankelijk van andermans wil
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.5.2.4
I.3.5.2.4 Inhoud afhankelijk van andermans wil
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623182:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. paragraaf 3.4.8 ‘Aanvulling op § 2064 BGB’.
Subparagraaf 2.2.2 ‘Rechtshandeling’. Anders dan bij de Romeinen dient het bepaaldheidsvereiste naar huidig recht mijns inziens niet te worden beschouwd als uitvloeisel van de formaliteiten die gelden om te testeren (art. 4:42 lid 3 jo. afd. 4.4.4 BW), maar maakt het deel uit van het wezen van de uiterste wilsbeschikking zelf (art. 4:42 lid 1 BW).
Breemhaar 1992, nr. 72. Zie met betrekking tot wilsdelegatie voorts hetgeen hij opmerkt in nr. 18, 42 en 74-77.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 4:42 lid 3 BW verlangt een in de juiste vorm en hoogstpersoonlijk gemaakte uiterste wilsbeschikking. Waarom zou een hoogstpersoonlijk gemaakte wilsbeschikking niet ook hoogstpersoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden ten aanzien van de inhoud kunnen bevatten?1
De geldigheidsvereisten van art. 4:42 lid 3 BW zeggen niets over de wezenlijke inhoud van de uiterste wilsbeschikking. Hierop ziet wel art. 4:42 lid 1 BW en het hierin gelegen bepaaldheidsvereiste. Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling met werking na overlijden. Van een rechtshandeling is enkel sprake indien is voldaan aan het vereiste van een bepaald onderwerp.2 Het bepaaldheidsvereiste dook al op bij de historische schets van de ontwikkeling van der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit in paragraaf 3.2.3. In verschillende perioden was het bepaaldheidsvereiste in feite de cruciale toetssteen voor de toelaatbaarheid van uiterste wilsbeschikkingen waarvan de inhoud door erflater onvolledig was geuit. De historische schets liet zien dat het bepaaldheidsvereiste het toestond dat erflater een afgebakende groep van personen aanwees, waaruit een derde de uiteindelijke verkrijgers kon bepalen. Tot op zekere hoogte waren uiterste wilsbeschikkingen waarvan de inhoud van andermans wil afhankelijk was, dus mogelijk. Dit vereiste impliceert dan ook geen absoluut verbod van wilsdelegatie.
Hoe het bepaaldheidsvereiste voor de uiterste wilsbeschikking opgevat dient te worden, behandel ik in het volgende hoofdstuk. In deze paragraaf is het van belang dat wordt beseft dat art. 4:42 lid 3 BW (in tegenstelling tot art. 4:42 lid 1 BW) niets over de wezenlijke inhoud van de uiterste wilsbeschikking zegt en zodoende ook geen toetssteen kan zijn voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud. Of kan hierover toch anders worden gedacht en zou wellicht een combinatie tussen het (formele) hoogstpersoonlijk karakter van art. 4:42 lid 3 BW en het bepaaldheidsvereiste (dat een materieel karakter heeft) van erflater verlangen dat hij de inhoud van zijn uiterste wilsbeschikkingen in volledigheid bepaalt, waardoor wilsdelegatie is uitgesloten? Ofwel zou het geldigheidvereiste dat van erflater verlangt dat hij persoonlijk zijn uiterste wilsbeschikking maakt (art. 4:42 lid 3 BW) tot (enkel) een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste leiden en bijgevolg het delegeren bij uiterste wil tegenhouden? Door Breemhaar, van wie de dissertatie zoals ik in paragraaf 2.2.2.5 al opmerkte voor mij een eyeopener is geweest omdat daarin het bepaaldheidsvereiste reeds in verband is gebracht met het delegatievraagstuk, is deze vraag bevestigend beantwoord.3 In onderstaande paragraaf geef ik Breemhaars zienswijze weer en plaats ik daarbij twee kanttekeningen. Deze kanttekeningen zijn, door voortschrijdend inzicht, wat meer genuanceerd dan hetgeen ik in een eerdere publicatie (Bauduin 2011) over wilsdelegatie opmerkte.