Waarde en erfrecht
Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/8.4:8.4. Conclusie
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/8.4
8.4. Conclusie
Documentgegevens:
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS617993:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 5, § 7.1 heb ik betoogd dat de waarde van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:37 lid 4 BW aansluit bij die van de legitimaire massa, hetgeen op grond van de thans gegeven conclusie tevens betekent dat de voor de successiebelastingen in aanmerking te nemen waarde gelijk is aan de waarde van de nalatenschap voor de toepassing van gemelde bepaling.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in paragraaf 1 al geconcludeerd ontbreekt ‘algehele convergentie’ van het waardebegrip in het erfrecht, het huwelijksvermogensrecht en de successiebelastingen. Divergentie voert de boventoon, hetgeen kan worden verklaard uit de verschillende doelstellingen die met de waardering worden nagestreefd en uit de te onderscheiden belangen die met een – bepaalde – waardering gediend dienen te worden. De waardering voor de successiebelastingen dient immers de heffing daarvan, terwijl de waardering in de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap bijvoorbeeld de verzorging en/of de bedrijfsopvolging kan dienen.
Bezien vanuit de waarderingsmaatstaven en relevante waarderingsfactoren, is – zoals in paragraaf 2 betoogd – vanaf 1 januari 2003 enige convergentie waar te nemen tussen het successierechtelijke en erfrechtelijke waardebegrip. Voor de waarde ter berekening van de legitimaire massa, waarvan de legitieme portie een afgeleide is, kan mijns inziens worden aangesloten bij de voor de heffing van successierecht in aanmerking te nemen waarde.1 Het uitgangspunt in beide rechtsgebieden is immers de waardering op basis van de meest objectief bepaalde waarde, de (verkoop)waarde in het economische verkeer. Dit sluit evenwel niet uit dat de in concreto in aanmerking te nemen waarde voor beide regelingen van elkaar verschilt. Zo kent de SW, anders dan het erfrecht, verschillende waarderingsforfaits en -faciliteiten, die de uiteindelijke maatstaf van heffing kunnen bepalen. Aan het identieke, conceptuele waardebegrip in beide rechtsgebieden doen deze naar mijn mening echter geen afbreuk.
In het huwelijksvermogensrecht en het erfrecht zou eventuele begripconvergentie zich mijns inziens slechts kunnen voordoen bij de waarde in de verdeling van een gemeenschap, te weten de huwelijksgemeenschap en de nalatenschap. In paragraaf 3 kom ik tot de conclusie dat de aard van de verdelingswaarde aan convergentie in de weg staat. Net zo min als de redelijkheid en billijkheid in beide bedoelde rechtssferen per definitie identiek zijn, gaat dat op voor de mede daarop gebaseerde verdelingswaarde. Het vorenstaande neemt mijns inziens echter niet weg dat de in het huwelijksvermogensrecht gegeven invulling aan het (verdelings)waardebegrip voor dat begrip in het erfrecht relevantie kan hebben. In de verdeling van de nalatenschap als ‘jongste’ gemeenschap, gebieden de redelijkheid en billijkheid voor de waardering rekening te houden met alle relevante factoren die de waarde van de daarin betrokken goederen en schulden voor de deelgenoten bepalen, derhalve ook met de waarderingsmaatstaven en -factoren die voor de huwelijksgemeenschap als ‘oudere’ gemeenschap in aanmerking genomen zijn of moeten worden.
Ook buiten de erfrechtelijke verdelingssfeer, kan de huwelijksvermogensrechtelijke invulling van het waardebegrip zich doen gevoelen. Het huwelijksvermogensrecht bepaalt mede de omvang en de samenstelling van een nalatenschap, ongeacht of de erflater, de erfgenamen of de wetgever bepalen wat, al dan niet slechts in waarde, aan deelgenoten, legatarissen, legitimarissen en ander wettelijk gerechtigden toekomt.