Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.1
10.4.1 Inleiding en plan van behandeling
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491742:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
De antimisbruikbepaling in art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001 is op grond van art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 ook relevant voor lichamen die als aandeelhouder, lid, schuldeiser, winstbewijshouder en/of optiehouder betrokken zijn bij een splitsing een beroep doen op fiscale facilitering. Deze antimisbruikbepaling geldt ook voor buitenlands belastingplichtige lichamen/a.b.-houders die een beroep willen doen op fiscale facilitering op de voet van art. 18, lid 5, Wet VPB 1969 jo. art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 aangezien in laatstgenoemde bepaling wordt verwezen naar (onder meer) art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001.
Zie de bedrijfsfusie-, splitsing- en juridische-fusieregeling in de vennootschapsbelasting, art. 14, lid 4, 14a, lid 6 respectievelijk 14b, lid 5, Wet VPB 1969. Zie ook de aandelenfusie-, splitsing- en juridische-fusieregeling in de inkomstenbelasting in art. 3.55, lid 4, onderdeel b, art. 3.56, lid 4 respectievelijk art. 3.57, lid 4, Wet IB 2001. Het enige inhoudelijke verschil is dat uitsluitend de antimisbruikbepalingen behorende bij de bedrijfsfusie- en splitsingsregeling in de Wet VPB 1969 een tweede bewijsvermoeden (‘onzakelijkheidsvermoeden’) bevatten. Zie hierna.
Indien een splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, is fiscale facilitering onmogelijk. Dit geldt zowel voor de splitsingspartners (art. 14a, lid 6, Wet VPB 1969) als voor de aandeelhouders, leden, schuldeisers, winstbewijshouders en optiehouders (art. 3.56, lid 4, Wet IB 2001).1 Fiscale begeleiding is dus uitgesloten als sprake is van misbruik. In dit onderdeel staan deze antimisbruikbepalingen centraal.
Hierna wordt eerst het toetsingskader in relatie tot het (anti)misbruikvraagstuk nader geconcretiseerd (onderdeel 10.4.2). Vervolgens worden de nationale antimisbruikbepalingen besproken, geanalyseerd en getoetst aan het toetsingskader (onderdeel 10.4.3 t/m onderdeel 10.4.8). Afsluitend wordt de Duitse antimisbruikmaatregel bij splitsingen onderzocht om te bezien of die bruikbare elementen bevat voor de Nederlandse wetgever (onderdeel 10.4.9).
Sinds 2001 zijn alle op de Fusierichtlijn gebaseerde nationale reorganisatiefaciliteiten in de Wet VPB 1969 en de Wet IB 2001 geflankeerd met een woordelijk (vrijwel) gelijkluidende antimisbruikbepaling.2 De (parlementaire) toelichting op de antimisbruikbepaling is (daarom) niet altijd toegespitst op de rechtsfiguur van de splitsing. Bij het interpreteren daarvan is dus soms een vertaalslag nodig naar de splitsingsregeling.