Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.3.1
8.4.3.1 Callopties; warrants en conversierechten
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454162:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Enigszins wonderlijk is dat het tijdstip van vervreemding eveneens in art. 20c, elfde lid, Wet IB is geregeld, terwijl een regeling in art. 20h Wet IB dat in het algemeen het vervreemdingstijdstip regelt (zie hoofdstuk 11), mijns inziens meer voor de hand had gelegen.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 61.
Is de optie verkregen in het kader van de dienstbetrekking, dan geldt als verkrijgingsprijs voor de optie de waarde welke voor de heffing van loonbelasting - eventueel op de voet van art. 15 Uitv.reg. LB - in aanmerking is genomen. Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24.761, nr. B, blz. 21 alsmede de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 60.
In deze zin tevens de staatssecretaris van Financiën in de memorie van antwoord Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 4.
Vgl. H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel2.2A.6.L, Gouda Quint, Deventer. J.C.M. van Sonderen is van mening dat in dergelijke situatiesonder omstandigheden de aanmerkelijkbelangheffing kan worden uitgehold, nl. als een positief re-sultaat opgekomen met het schrijven van een calloptie buiten de aanmerkelijkbelangregeling wordtafgewikkeld, terwijl een negatief resultaat door de aanwijzing van de geschreven calloptie in deaanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken, J.C.M. van Sonderen, Aandelenopties in het (voor-gestelde) aanmerkelijk-belangregime, MBB september 1996. blz. 278
Is het optierecht verkregen in het kader van de dienstbetrekking, dan is naar het oordeel van de staatssecretaris van Financiën geen sprake van het materieel tweemaal belasten van hetzelfde voordeel. Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 59-60. Zie tevens P. Fortuin, Het wetsvoorstel inzake aandelenoptierechten voor werknemers, Tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht 1998, blz. 97.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr 24 761, nr. 3, blz. 60-61. Betreft het een optierecht dat in het kader van de dienstbetrekking is verkregen, dan is het negatieve vervreemdingsvoordeel gelijk aan het bedrag dat op het moment van toekenning van het optierecht - eventueel op de voet van art. 15 Uitv.reg. LB - in de heffing van loonbelasting is betrokken, eventueel vermeerderd met het bedrag dat de werknemer voor de verkrijging van het optierecht heeft betaald.
In dezelfde zin J.C.M. van Sonderen, Aandelenopties in het (voorgestelde) aanmerkelijk-be-langregime, MBB september 1996, blz. 281.
Ingevolge art. 20c, elfde lid, Wet IB wordt in geval van verlening van een cal-loptie de optiepremie bij de optieverlener/aanmerkelijkbelanghouder integraal in de belastingheffing betrokken en wel op het tijdstip waarop de koopoptie is verleend.1 Er wordt dus geen (deel van de) verkrijgingsprijs in aanmerking genomen, aangezien de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen zelf (nog) niet zijn vervreemd.2 Heeft het optierecht betrekking op ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, dan wordt de optiehouder als aanmerkelijkbelanghouder aangemerkt en vormt de optiepremie voor hem de verkrijgingsprijs van dit tot het aanmerkelijk belang behorende optierecht.3 Iets soortgelijks geldt in geval van aan obligatieleningen gekoppelde warrants en conversierechten. Is sprake van een warrantlening van het paritype - de obligatielening wordt a pari geëmitteerd en de warrant is te beschouwen als vooruitbetaalde rente ^- dan is de verkrijgingsprijs van de (losse) warrant mijns inziens gelijk aan het bedrag dat als vooruitbetaalde rente op het moment van uitgifte van de warrantlening in de belastingheffing wegens inkomsten uit vermogen is betrokken. Is daarentegen sprake van een warrantlening van het dis-agiotype ^- de obligatielening is met een disagio geëmitteerd en er is afzonderlijk voor de (losse) warrant betaald - dan bedraagt de verkrijgingsprijs van de (losse) warrant het bedrag dat ervoor is betaald. In beide gevallen kan de verkrijgingsprijs van de (losse) warrant worden becijferd op het verschil tussen de nominale waarde van de obligatielening en de emissiekoers van een vergelijkbare laagrentende obligatie zonder de aan de obligatielening gekoppelde warrants, zijnde het disagio. Het aan converteerbare obligatieleningen verbonden conversierecht heeft blijkens de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1996, BNB 1996/299-300 een verkrijgingsprijs van ƒ nihil, aangezien ingevolge deze arresten de volledige storting op de converteerbare obligatielening moet worden toegerekend aan het vermogensrecht, zijnde de schuldvordering.4
Wordt het calloptierecht uitgeoefend, dit zal over het algemeen het geval zijn als de waarde van de aandelen hoger is dan de uitoefenprijs, dan wordt de aandeelhouder/optieverlener belast voor het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en zijn verkrijgingsprijs. In totaal is dan bij de aandeelhouder/optieverlener de uitoefenprijs van de optie + de optiepremie in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken.5 Voor de optiehouder vormt de uitoefenprijs van de optie alsmede de optiepremie ingevolge art. 20c, tiende lid, eerste volzin, Wet IB de verkrijgingsprijs van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen.6 Weliswaar muteert de optiehouder tot aanmerkelijkbelanghouder, doch dit leidt niet tot een fictieve vervreemding van het tot het aanmerkelijk belang behorende optierecht. De winst op de calloptie wordt aldus doorgeschoven naar de verworven aanmerkelijkbelangaandelen; de uitoefening van de calloptie leidt niet tot belastingheffing bij de optiehouder.
Wordt de calloptie niet uitgeoefend, dan is de aandeelhouder/optieverlener op grond van art. 20c, elfde lid, Wet IB belast geweest voor de optiepremie op het tijdstip waarop de calloptie was verleend. Het niet uitoefenen van het optierecht door de optiehouder heeft voor de aandeelhouder/optieverlener verder geen consequenties; hij was aanmerkelijkbelanghouder in de vennootschap en blijft dat. Heeft de optie betrekking op ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap - de optiehouder is dan aanmerkelijkbelanghouder (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.1) ^- dan wel behoort het optierecht anderszins bij de belastingplichtige tot een aanmerkelijk belang, dan is de verkrijgingsprijs van het optierecht voor de aanmerkelijkbelangregeling gelijk aan de optiepremie. Verloopt vervolgens de optie ongebruikt, dan wordt ingevolge art. 20c, tiende lid, tweede en derde volzin, Wet IB de verkrijgingsprijs van het optierecht, d.w.z. de optiepremie, zoveel mogelijk doorgeschoven naar de aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op de vennootschap die de belastingplichtige reeds bezit. Dit betekent dat de verkrijgingsprijs van het optierecht achtereenvolgens wordt gevoegd bij (art. 20c, tiende lid, tweede volzin, Wet IB):
de verkrijgingsprijs van de soort aandelen of winstbewijzen waarop het betrekking had;
de verkrijgingsprijs van andere aandelen of winstbewijzen die tot het aanmerkelijk belang behoren.
Betreft het een koopoptie op een schuldvordering die niet wordt uitgeoefend, dan wordt de verkrijgingsprijs van het optierecht gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de aandelen die tot het aanmerkelijk belang behoren (art. 20c, tiende lid, derde volzin, Wet IB). Is een dergelijke toerekening van de verkrijgingsprijs van het optierecht aan aandelen in of winstbewijzen van de vennootschap niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de belastingplichtige louter het optierecht bezat (dat niet voldoet aan het kwantitatieve criterium van art. 20a, derde lid, vijfde volzin, Wet IB) en verder geen aandelen in of winstbewijzen van de vennootschap, dan zal op grond van art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB een negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking worden genomen ter grootte van de verkrijgingsprijs van de calloptie, zijnde de optiepremie.7
Men ziet dat het effect van dit in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling neergelegde systeem is dat waardestijgingen van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen gedurende de optieperiode bij de optiehouder steeds in de (latere) aanmerkelijkbelangheffing worden betrokken, terwijl waardedalingen van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen gedurende de optieperiode bij de aandeelhouder/optieverlener via de (latere) aanmerkelijkbelangheffing worden vergolden.8