Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.6.4.1
5.6.4.1 Van Dijk’s Boekhuis-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291385:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 14 mei 1985, zaak C-139/84, BNB 1985/335, m.nt. Ploeger (Van Dijk’s Boekhuis).
HR 17 december 1986, nr. 23.578, BNB 1987/59.
MvT, Kamerstukken II 1995/96, 24 703, nr. 3, p. 5.
Tot 1 januari 1996 kon een lidstaat op grond van art. 5 lid 5, onderdeel a Zesde Richtlijn de oplevering van een werk in roerende staat als een levering aanmerken. Nederland had van die mogelijkheid gebruikgemaakt. Op grond van deze richtlijnbepaling werd onder een oplevering van een werk in roerende staat verstaan: de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerende goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verschaft.
HR 16 mei 1984, nr. 22.246, BNB 1984/212, m.nt. Ploeger.
HvJ EG 14 mei 1985, zaak C-139/84, BNB 1985/335, m.nt. Ploeger, r.o. 20 (Van Dijk’s Boekhuis).
R.o. 21.
R.o. 22.
R.o. 23.
HR 2 oktober 1985, nr. 22.246, BNB 1985/336.
HR 17 december 1986, nr. 23.578, BNB 1987/59.
HR 19 november 2010, nr. 08/01021, BNB 2011/42, m.nt. Bijl.
Hoewel de Hoge Raad dit niet expliciteert, is door de introductie van het ‘in-wezen-nieuwbouwcriterium’ sprake van een andere invulling van het begrip ‘vervaardiging’, met name omdat ook zonder een functiewijziging sprake kan zijn van in wezen nieuwbouw. Zie hierover nader: M. van der Wulp, ‘In wezen (n)iets veranderd’, BtwBrief 2016/86, M.C. Leijten, ‘Vastgoed en in wezen nieuwbouw, een lastig hoofdstuk!’, Vastgoed Fiscaal & Civiel 2020/5 en M.M.J.A. Veltrop, ‘Short stay structuren – Hoe te voorkomen?’, WFR 2020/87, p. 587.
Uit art. 11 lid 5, onderdeel b Wet OB volgt dat Nederland een kwalitatief vernieuwbouwcriterium hanteert. Op grond van deze bepaling is sprake van vernieuwbouw indien door de verbouwing van een gebouw een vervaardigd goed is voortgebracht. De Hoge Raad had al geruime tijd vóór de inwerkingtreding van (thans) art. 11 lid 5, onderdeel b Wet OB – 11 juli 1997 – geoordeeld dat het Van Dijk’s Boekhuis-arrest1 (ook) beslissend is voor de vraag of door de verbouwing van een gebouw een (onroerend) goed is vervaardigd.2 In de parlementaire geschiedenis van (thans) art. 11 lid 5, onderdeel b Wet OB is bij ‘de jurisprudentie die zich op dit punt heeft gevormd’ aangesloten.3 Omdat het Van Dijk’s Boekhuis-arrest van het Hof van Justitie als uitgangspunt dient voor de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’ in art. 11 lid 5, onderdeel b Wet OB, is het van belang om nader op dit arrest in te gaan. In deze zaak ging het om de vraag of de ingrijpende reparatie of renovatie van een aan een ander toebehorend schoolboek kwalificeerde als de oplevering van een werk in roerende staat.4 Het belang van die vraag was gelegen in de toepasselijkheid van het verlaagde btw-tarief. Indien de ingrijpende reparatie of renovatie van de schoolboeken als een (op)levering kwalificeerde dan was het verlaagde btw-tarief van toepassing, terwijl bij een reparatie- of renovatiedienst het algemene btw-tarief van toepassing was. De Hoge Raad heeft in deze zaak het Hof van Justitie om uitleg verzocht inzake het begrip ‘vervaardigen’.5 Het Hof van Justitie is voor de uitleg van dit begrip te rade gegaan bij het spraakgebruik op grond waarvan dit begrip betekent: het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond.6 Hieruit heeft het Hof de conclusie getrokken dat slechts sprake is van de vervaardiging van een werk in roerende staat indien een opdrachtnemer een nieuw goed maakt uit materialen die de opdrachtnemer hem heeft verstrekt.7 Van een nieuw goed is volgens het Hof sprake indien door het werk van de opdrachtnemer een nieuw goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden. Het is aan de nationale rechter om, gelet op het gebruik dat van het goed kan worden gemaakt, te boordelen of sprake is van een nieuw goed.8 Onderhouds- of reparatiewerkzaamheden die, hoe ingrijpend ook, aan het verstrekte goed uitsluitend de functie teruggeven die het voordien had, zonder dat een nieuw goed ontstaat, kwalificeren volgens het Hof daarom niet als het vervaardigen van een werk in onroerende staat.9
De Hoge Raad heeft met inachtneming van dit arrest geoordeeld dat van de ingrijpende reparaties van de schoolboeken niet kan worden gezegd dat zij goederen doen ontstaan waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen (uiteengevallen boeken) hadden. Het gebruik dat van uiteengevallen boeken kan worden gemaakt verschilt immers niet van het gebruik dat kan worden gemaakt van de boeken nadat zij zijn hersteld (lees: geen functiewijziging), ook indien de boeken door de reparatie ‘als nieuw’ zijn gemaakt.10 De Hoge Raad heeft de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’ in het Van Dijk’s Boekhuis-arrest ook beslissend geacht voor de vraag of door de verbouwing van een gebouw een goed is vervaardigd. Naar het oordeel van de Hoge Raad is hiervan sprake indien de verbouwing van het gebouw een zo ingrijpende wijziging van het gebouw inhoudt dat daardoor een goed is voortgebracht dat tevoren niet bestond.11 Dit is nog altijd staande jurisprudentie. In het ‘Kinderdagverblijf-arrest’ heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar het Van Dijk’s Boekhuis-arrest, geoordeeld dat (bij de verbouwing van een gebouw) sprake is van vervaardiging indien een goed wordt voortgebracht dat tevoren niet bestond.12 Hiervan is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake indien sprake is van in wezen nieuwbouw.13 Op dit criterium wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.