Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.5.2.1
2.5.2.1 Inleiding
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652346:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Leidraad, bepaling 4.5.
Leidraad, bepalingen 4.1 en 4.2.
OK 30 november 2010 (r.o. 1.2; 1.7), ARO 2010/175 (Van der Moolen).
OK 18 juli 2018 (r.o. 3.54), JOR 2018/303, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Eneco); OK 26 juli 2018 (r.o. 3.132), JOR 2018/275, m.nt. S.M. Bartman (SNS).
AAS, bepalingen 3.4 en 5.1. De eerste versie van de AAS uit 2011 voorzag nog niet in die mogelijkheid.
Het betreft OK 9 januari 2020, ARO 2020/45 (RSW Property); OK 30 januari 2020, ARO 2020/51 (Uitzendbureau Bouma); OK 3 februari 2020, ARO 2020/60 (GHK). Waarom de Ondernemingskamer hier niet voor de gebruikmaking van een begroting koos, is onduidelijk.
Jaarverslag Ondernemingskamer 2020, par. 1.1 en par. 2.7.
De Ondernemingskamer kan, alvorens het onderzoeksbudget vast te stellen, de onderzoeker voorschrijven een begroting op te stellen die ten minste inzicht dient te verschaffen in de aard en omvang van de naar verwachting te verrichten werkzaamheden, de daaraan naar redelijke verwachting te besteden tijd, het te hanteren uurtarief en, indien van toepassing, de verdere kosten waaronder die van het inschakelen van derden.1 De onderzoeker dient zijn begroting in bij de griffier van de Ondernemingskamer, waarna deze partijen in de gelegenheid stelt daarop te reageren. Daarna stelt de Ondernemingskamer het onderzoeksbudget vast.2
Tot voorheen maakte de Ondernemingskamer geen gebruik van de mogelijkheid van een begroting bij het gelasten van een enquête. In Van der Moolen gingen onderzoekers daar kennelijk onverplicht wel toe over, overigens na vaststelling van het onderzoeksbudget door de Ondernemingskamer.3 Bij een verhogingsverzoek werd van de onderzoeker al wel verlangd dat hij een begroting opstelt, waarover par. 2.6.4.5. In de enquêtes naar Eneco en SNS vroeg de Ondernemingskamer de later te benoemen onderzoekers voor het eerst een (plan van aanpak en) begroting van de kosten van het onderzoek op te stellen en hield zij de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aan.4
De tot 9 juli 2019 geldende AAS voorzagen sinds hun wijziging per 1 januari 2013 in de mogelijkheid van de gebruikmaking van een begroting bij het gelasten van een enquête.5 De Leidraad neemt dit nu tot uitgangspunt in bepaling 4.1. Ook wanneer de Ondernemingskamer in een beschikking tot toewijzing van het enquêteverzoek en/of de benoeming van een onderzoeker een begroting niet uitdrukkelijk voorschrijft en het onderzoeksbudget aanstonds vaststelt, zal de onderzoeker hierom nu in beginsel een begroting moeten opstellen.
Doorgaans overweegt de Ondernemingskamer evenwel uitdrukkelijk dat de onderzoeker wordt gevraagd of zal worden gevraagd een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer te sturen. In het jaarverslag 2020 van de Ondernemingskamer valt ook te lezen dat de Ondernemingskamer in 2020 steeds – een enkele uitzondering daargelaten6 – de bepaling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten heeft aangehouden in afwachting van een door de onderzoeker op te stellen begroting.7 In 2021 verzocht de Ondernemingskamer de onderzoeker zonder uitzondering een begroting op te stellen.
De Leidraad laat de Ondernemingskamer in bepaling 4.2 overigens wel de ruimte om in uitzonderingssituaties reeds bij het gelasten van een enquête het onderzoeksbudget vast te stellen, zonder een begroting af te wachten. Mijns inziens kan een begroting echter in iedere enquête voordelen bieden, waarover ook par. 2.5.2.3.3.
Ik ga hierna in op de voordelen van het gebruik van een begroting in de enquêteprocedure (par. 2.5.2.2) en de voorwaarden waaronder een begroting mijns inziens wenselijk is (par. 2.5.2.3).