Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.5.0:4.6.5.0 Inleiding
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.5.0
4.6.5.0 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630457:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor een beschrijving van de vrijstelling verwijs ik naar Streek en Greef.
Kamerstukken I 2014/15, 34 003, F, pagina 7.
Kamerstukken I 2014/15, 34 003, F, pagina 7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanaf 1 januari 2016 zijn overheidsondernemingen belastingplichtig voor hun ondernemingsactiviteiten. Dergelijke lichamen kunnen echter van een aantal objectieve vrijstellingen gebruikmaken. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 8e en artikel 8f Wet Vpb 1969 en regelen vrijstellingen voor interne activiteiten, quasi-inbesteding, de uitvoering van een overheidstaak en samenwerkingsverbanden (hierna gezamenlijk aangeduid als overheidstaken).1
Ook in dit kader komt de vraag op of en zo ja hoe compartimentering plaatsvindt als op enig moment voor het eerst of niet meer aan de voorwaarden voor de objectvrijstelling wordt voldaan. Tijdens de parlementaire behandeling is deze vraag aan de orde gekomen. Als door een publiekrechtelijke rechtspersoon geen belastingplichtige of (hooguit) enkel vrijgestelde activiteiten worden verricht, dan moet volgens de staatssecretaris op het moment dat de objectvrijstelling vervalt een fiscale openingsbalans worden opgesteld:
‘De leden van de fractie van de VVD vragen of de compartimenteringsgedachte toegepast kan worden ingeval een vermogensbestanddeel overgaat naar de belaste sfeer vanwege het niet meer van toepassing zijn van een objectvrijstelling. De leden van de fractie van het CDA stellen een vergelijkbare vraag. Twee verschillende situaties moeten hierbij onderscheiden worden. Allereerst een situatie waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon geen belastingplichtige of (hooguit) enkel vrijgestelde activiteiten verricht. Indien een dergelijke publiekrechtelijke rechtspersoon op enig moment (deels) niet vrijgestelde activiteiten gaat verrichten, worden alle aan de belaste sfeer (vrijgesteld en niet vrijgesteld) toe te rekenen vermogensbestanddelen, op het moment dat de objectvrijstelling vervalt, tegen de waarde in het economisch verkeer (van dat moment) op de openingsbalans geplaatst. Strikt genomen is dat geen compartimentering, maar het appelleert wel aan de compartimenteringsgedachte.’2
Uit HR 10 juli 2015, nr. 14/03102, BNB 2015/180 blijkt dat ook objectief vrijgestelde voordelen onder de totaalwinst vallen (zie paragraaf 2.6.2). Ook als het lichaam effectief niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting als het gevolg van een objectvrijstelling ontstaat belastingplicht en moet een openingsbalans worden opgesteld op het moment dat de subjectieve belastingplicht aanvangt. Op die openingsbalans worden de vermogensbestanddelen gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Op het moment dat de objectieve vrijstelling vervalt dient geen openingsbalans meer te worden gemaakt. Ik deel de zienswijze van de staatssecretaris dus niet. Maar wellicht wordt hiermee een praktische goedkeuring gegeven in de zin dat pas als er daadwerkelijk heffing optreedt een fiscale openingsbalans hoeft te worden gemaakt.
Tijdens de parlementaire behandeling is ook ingegaan op de situatie waarbij een publiekrechtelijke rechtspersoon onbelaste, vrijgestelde en niet-vrijgestelde activiteiten verricht. Als een vrijgesteld vermogensbestanddeel op enig moment ook wordt gebruikt voor belaste activiteiten, dan wordt compartimentering toegestaan:
‘In de tweede plaats kan de situatie worden onderkend dat een publiekrechtelijke rechtspersoon onbelaste, vrijgestelde en niet vrijgestelde activiteiten verricht. In een dergelijk geval zullen alle aan de belaste (vrijgestelde en niet vrijgestelde) sfeer toe te rekenen vermogensbestanddelen op de balans staan. Dus ook een vermogensbestanddeel waarmee enkel in beginsel belastingplichtige, zij het vrijgestelde activiteiten worden verricht. Indien een dergelijk vermogensbestanddeel na verloop van tijd ook wordt gebruikt voor niet vrijgestelde activiteiten is een herwaardering niet aan de orde, terwijl pas vanaf dat moment een materieel heffingsbelang ontstaat. Ik ben bereid om in dat geval, bij wijze van praktische benadering, de compartimenteringsgedachte toe te passen.’3
Opmerkelijk is dat de staatssecretaris toestaat om de compartimenteringsgedachte toe te passen. In casu is sprake van een feitenwijziging zodat mijns inziens op grond van de compartimenteringsjurisprudentie moet worden gecompartimenteerd. Hiervoor was geen goedkeuring nodig, maar dit volgt uit de jurisprudentie.