Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.3
8.6.3 Betekenis en reikwijdte van het bewijsvermoeden uit Laurus
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652349:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 mei 2003 (r.o. 4.4), NJ 2003/468 (Vader/moeder); HR 16 maart 2007 (r.o. 3.5), NJ 2008/219, m.nt. C.J.M. Klaassen (Wooning/Wooning).
Vgl. Giesen 2001, p. 65; Conclusie A-G Verkade (nr. 4.7) voor HR 15 december 2006, NJ 2007/203, m.nt. M.R. Mok (Noordnederlands Effektenkantoor/Mourik); Veenstra 2010, p. 248.
Als bedoeld in HR 10 januari 1997 (r.o. 3.3.1), NJ 1997/360, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven); art. 2:9 lid 2 BW. Zie ook Van Calker 2017, p. 532-533.
Zo ook Van Wijk 2007, p. 397; Conclusie A-G Timmerman (nr. 5.4.3) voor HR 26 juni 2009, NJ 2011/210, m.nt. W.J.M. van Veen (onder NJ 2011/211); JOR 2009/192, m.nt. J.J.M. van Mierlo (onder JOR 2009/193) (KPNQwest); Oosterhoff 2022, p. 1262, voetnoot 35. Anders Geerts 2006, p. 21; Veenstra 2010, p. 259; Kroeze & Wezeman 2015, p. 7-8; Reumers 2020, p. 59.
HR 23 november 2012 (r.o. 3.4.1-3.4.2), NJ 2013/302, m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2013/40, m.nt. W.J.M. van Andel & K. Rutten (Spaanse villa).
Zo ook Van Solinge (onder 7) in zijn annotatie bij HR 8 april 2005, NJ 2006/443 (Laurus); Van Wijk 2007, p. 397; Assink/Slagter 2013, p. 1816-1817; Van Solinge 2017, p. 496-497. Anders Olden (onder 6) in zijn annotatie bij HR 10 januari 1990, JOR 2021/288 (Ogem); Oosterhoff 2022, p. 1262.
Zie voor een andere benadering nog Wezeman 2010b, p. 456, die uit Laurus afleidt dat daarvoor is vereist dat tussen de curator en bestuurders en commissarissen een debat heeft plaatsgevonden in de enquêteprocedure. Mijns inziens kan dit vereiste niet in Laurus worden gelezen.
HR 18 september 2009 (r.o. 3.4), NJ 2009/438; JOR 2010/29, m.nt. N.E.D. Faber & S.C.J.J. Kortmann (Bandel/Van den End q.q.).
Zie ook Veenstra 2010, p. 259.
Zie ook Winters & Noordhof 2005, p. 170-171; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443; Storm 2018, p. 433.
Zo ook Veenstra 2010, p. 258.
Neemt de civiele rechter het in Laurus bedoelde bewijsvermoeden aan, dan hoeft de eiser geen bewijs te leveren van de stelling dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen. Het is aan de gedaagde om tegenbewijs te leveren, waartoe voldoende is dat de gedaagde het bewijs – het enquêtedossier – door het leveren van tegenbewijs ontzenuwt.1 De gedaagde hoeft dus niet het tegendeel van de via het vermoeden als vaststaand aangenomen onbehoorlijke taakvervulling te bewijzen.2 Bedoeld tegenbewijs kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 1 Rv).3
Het bewijsvermoeden uit de Laurus-beschikking van de Hoge Raad lijkt toegeschreven op de op grond van art. 2:9 BW gevoerde aansprakelijkheidsprocedure. Uit Laurus volgt mijns inziens dat de civiele rechter op grond van het enquêtedossier voorshands bewezen mag verklaren dat een bestuurder of commissaris verwijtbaar jegens de rechtspersoon is tekortgeschoten in de vervulling van zijn taak, in zodanige mate dat dit kwalificeert als onbehoorlijke taakvervulling in de betekenis van art. 2:9 BW (jo. art. 2:149/259 BW). Ik lees in Laurus niet dat het de civiele rechter ook vrijstaat op grond van het enquêtedossier het voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW eveneens vereiste ernstig verwijt4 voorshands bewezen verklaard te achten.5
Onder omstandigheden past het bewijsvermoeden uit Laurus ook op een op grond van art. 6:162 BW door de rechtspersoon gevoerde aansprakelijkheidsprocedure. Houdt het onrechtmatig handelen van de aangesproken bestuurder verband met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting, dan gelden de gewone regels van onrechtmatige daad.6 In een dergelijk geval kan het bewijsvermoeden uit Laurus mijns inziens geen rol spelen. Anders is dat als de onrechtmatigedaadsvordering verband houdt met de uitoefening van een bestuurstaak, en een vordering wordt ingesteld door de rechtspersoon. De civiele rechter kan in dat geval voorshands bewezen verklaren dat de bestuurder verwijtbaar jegens de rechtspersoon is tekortgeschoten in de vervulling van zijn taak, maar voor aansprakelijkheid moet in ieder geval ook ernstige verwijtbaarheid vaststaan.
Omdat de Hoge Raad in Laurus melding maakt van een bewijsvermoeden tegenover de rechtspersoon, moet een onderscheid worden aangebracht tussen door de rechtspersoon en door derden geëntameerde opvolgende aansprakelijkheidsprocedures.7 Voor een bewijsvermoeden als hiervoor beschreven is hierom bijvoorbeeld geen ruimte bij een door een aandeelhouder geëntameerde procedure tot de vergoeding van afgeleide schade. Voor de werking van het bewijsvermoeden uit Laurus doet overigens niet ter zake of de rechtspersoon de enquête heeft verzocht. Evenmin is mijns inziens van belang of de rechtspersoon zelf bij de aansprakelijkheidsprocedure is betrokken als materiële en formele procespartij, of dat een andere partij de aansprakelijkheidsprocedure als formele procespartij start, handelend op basis van volmacht of lastgeving, of als 305a-organisatie. Laurus heeft mijns inziens ook gelding voor de cessionaris van een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering (par. 8.2).
Het bewijsvermoeden uit Laurus kan mijns inziens geen rol spelen in een aansprakelijkheidsprocedure gegrond op art. 2:138/248 BW (jo. art. 2:149/259 BW). De aansprakelijkheidsprocedure gegrond op art. 2:138/248 BW is geen bevoegdheid van de rechtspersoon, maar van de curator. De curator handelt hierbij in de uitoefening van een eigen, hem door de wet toegekende bevoegdheid (par. 8.4.2).8 Om dezelfde reden vindt het bewijsvermoeden uit Laurus mijns inziens evenmin toepassing bij een door de curator op art. 2:9 BW gegronde vordering. Dat art. 2:138/248 BW aansprakelijkheid vestigt jegens de crediteuren van de rechtspersoon (de boedel),9 doet daartoe niet ter zake.10 Voor de werking van het bewijsvermoeden uit Laurus is mijns inziens evenmin van belang of de enquête is verzocht door de rechtspersoon, de curator, of een andere enquêtegerechtigde.
Overigens zal een curator die een procedure start op grond van art. 2:138/248 BW (jo. art. 2:149/259 BW) het bewijsvermoeden uit Laurus ook niet steeds nodig hebben. De curator wordt in een voorkomend geval geholpen door de bewijsvermoedens van art. 2:138/248 lid 2 BW, die hem een sterkere bewijspositie verschaffen dan het bewijsvermoeden uit Laurus hem zou kunnen verschaffen. Is art. 2:10 BW of art. 2:394 BW geschonden, dan staat behoudens disculpatie vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dat de onbehoorlijke taakvervulling wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn kan in ieder geval niet in Laurus worden gelezen, ook als het bewijsvermoeden uit Laurus wel van toepassing zou zijn in een op art. 2:138/248 BW gegronde aansprakelijkheidsprocedure.
Verder is van belang dat het feitelijk vermoeden uit Laurus enkel betrekking kan hebben op de aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen die in de tweede fase van de enquêteprocedure zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen is verzocht of gevorderd hebben geconcludeerd, ofwel daartegen verweer hebben gevoerd. Andere bestuurders en commissarissen kunnen mijns inziens niet worden geconfronteerd met bedoeld rechterlijk vermoeden.11 Een en ander doet de vraag rijzen of bestuurders en commissarissen er verstandig aan doen te verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure. Zie hierover par. 8.6.6.
Hiervoor in par. 8.5.4 merkte ik reeds op dat het oordeel van de Hoge Raad in Laurus naar mijn mening eveneens relevantie heeft voor zover het verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW apart van het tweede fase verzoek wordt behandeld. In de procedure tot verhaal van de kosten van het onderzoek vastgestelde feiten staan dus niet op voorhand vast in een opvolgende aansprakelijkheidsprocedure, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Bovendien kan de civiele rechter in dit kader gebruikmaken van het bewijsvermoeden uit Laurus (par. 8.6.4).12