De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.5:8.6.5 Gebruikmaking van het bewijsvermoeden in de lagere jurisprudentie
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.5
8.6.5 Gebruikmaking van het bewijsvermoeden in de lagere jurisprudentie
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652526:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 22 juni 2011 (r.o. 4.15), JOR 2011/358, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Pondac). Inspiratie hiervoor lijkt ontleend aan Assink e.a. 2011, p. 41-42.
Storm 2018, p. 439.
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014 (r.o. 3.15), JOR 2015/32, m.nt. M. Holtzer (Meepo).
Holtzer (onder 6) in zijn annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, JOR 2015/32 (Meepo).
Storm 2018, p. 441.
Rb. Overijssel 17 maart 2021 (r.o. 4.6), RO 2021/34 (Nijhuis Fabel).
Rb. Amsterdam 18 november 2009 (r.o. 4.3), JOR 2011/248 (Van Doorn).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de lagere jurisprudentie wordt het bewijsvermoeden uit Laurus ook wel uitgelegd op een wijze die niet volledig overeenstemt met de tekst van de Laurus-beschikking van de Hoge Raad. In Pondac overwoog de Rechtbank Arnhem:
‘De Hoge Raad lijkt een iets ruimere lijn te volgen voor aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW: het oordeel van de Ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede fase van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen. Aangenomen moet worden dat van een dergelijke bewijsrechtelijke “doorwerking” slechts sprake kan zijn indien klip en klaar is (a) op welke bestuurder de (als wanbeleid van de vennootschap aan te merken) inhoud van het onderzoeksverslag betrekking heeft en (b) dat over die feiten en omstandigheden een gedegen debat heeft plaatsgevonden in de tweede fase van de enquête. (…)’1
Dit ‘klip en klaar-criterium’2 scherpte het Hof Arnhem-Leeuwarden in Meepo nog iets aan:
‘Naar het oordeel van het hof dient een dergelijke bewijsrechtelijke doorwerking niet tot uitgangspunt te worden genomen, maar in beginsel beperkt te blijven tot sprekende gevallen waarin ten minste klip en klaar is (a) op welke bestuurder de – als wanbeleid van de rechtspersoon aan te merken – inhoud van het onderzoeksverslag betrekking heeft, (b) dat over die feiten en omstandigheden een gedegen debat heeft plaatsgevonden in de tweede enquêteprocedure en (c) dat het onder (a) en (b) bedoelde op deugdelijke wijze gebleken is in de aansprakelijkheidsprocedure.’3
Zowel de Rechtbank Arnhem als het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde overigens dat aan het geformuleerde klip en klaar-criterium niet was voldaan. Aan het bewijsvermoeden uit Laurus kon dan ook geen toepassing worden gegeven. Aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders werd in beide gevallen wel aangenomen op basis van een zelfstandige bewijswaardering.
Annotator Holtzer merkt terecht op dat het Hof Arnhem-Leeuwarden Laurus te beperkt uitlegt, nu de Hoge Raad hierin niet heeft geoordeeld dat het bijzondere bewijsvermoeden niet als uitgangspunt mag worden genomen, of is beperkt tot ‘sprekende gevallen’, waaruit ‘klip en klaar’ blijkt van bewijsrechtelijke doorwerking.4 De rechtbank en het hof zijn zich er ook van bewust dat hun benadering afwijkt van die van de Hoge Raad in Laurus, maar motiveren niet uitgebreid wat die afwijking rechtvaardigt.5 De in Pondac en Meepo gevolgde lijn legt de nadruk voor het aannemen van een bewijsvermoeden bij de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid, wat een logisch aanknopingspunt lijkt (par. 8.6.4).
In andere opvolgende aansprakelijkheidsprocedures lijken lagere rechters het bewijsvermoeden niet (uitdrukkelijk) toe te passen. Zo wijst de rechtbank in Nijhuis Fabel slechts in algemene zin op het bewijsvermoeden uit Laurus,6 en stelt de rechtbank in Van Doorn voorop dat het oordeel van de Ondernemingskamer dat sprake is geweest van wanbeleid slechts beperkte betekenis heeft ‘in die zin dat daaruit weliswaar kan volgen dat de bestuurders tegenover de betrokken rechtspersoon hun taak niet behoorlijk hebben vervuld, maar daarmee is nog niet bepaald dat zij zo zeer in een behoorlijke vervulling van de hun opgedragen taak zijn tekortgeschoten dat zij aansprakelijk zijn voor de schade die derden of de rechtspersoon dientengevolge hebben geleden.’7 Dit bewijsvermoeden wordt vervolgens niet toegepast door beide rechtbanken, zonder verdere motivering. Andere jurisprudentie waarin uitdrukkelijk aan het bewijsvermoeden uit Laurus wordt gerefereerd, is mij niet bekend.