Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IV.3.3
IV.3.3 Duits recht
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178823:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 82 I AktG/§ 37 II GmbHG. Zie Spindler/Stilz/Fleischer 2019, AktG § 82 Rn. 1, MüKoAktG/Spindler 2019, AktG § 82 Rn. 27 e.v. en MüKoGmbHG/Stephan/ Tieves 2019, GmbHG § 37 Rn. 156 e.v. Zie ook Gepken-Jager 2000, p. 75-79.
Zie Jüngst 1981, p. 51, Fleischer 2005, p. 529, Vedder 2007, p. 29 en 108-110, alsook de in noot 26 aangehaalde Kommentare.
Michalski 1991, p. 350 en MüKoAktG/Spindler 2019, AktG § 82 Rn. 18-22. Zie ook Gepken-Jager 2000, p. 84-91.
Zie over deze regeling uitvoerig Gepken-Jager 2000, p. 94-96.
Zie Auer 2000, p. 145.
Wat leert het Duitse recht over beperkingen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid? De vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders in een AG of GmbH is onbeperkt.1 Dit zogenaamde Trennungsprinzip ligt ten grondslag aan de Eerste Richtlijn2 en daarmee aan ons art. 2:130/240 lid 3 BW. De ratio ervan is de bescherming van derden. Derden moeten erop kunnen vertrouwen dat een bestuurder bevoegd is namens de vennootschap op te treden. Zij hoeven zich niet te verdiepen in de verdeling van bevoegdheden. Verkehrsschutz staat voorop.3
Hiermee strookt dat alleen dwingendrechtelijke beperkingen afbreuk doen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid. De derde moet uit de wet kunnen afleiden wie bevoegd is. Steeds spreekt de wet zich daarover nadrukkelijk uit.4 Een voorbeeld van een beperking is § 112 Aktiengesetz. Dit artikel bepaalt dat uitsluitend de Aufsichtsrat (raad van commissarissen) bevoegd is de AG te vertegenwoordigen in rechtshandelingen met haar bestuurders. In andere gevallen is de medewerking van een ander orgaan vereist. Zo is voor het aangaan van een fusie toestemming vereist van de algemene vergadering (§ 13 Umwandlungsgesetz). Dit geldt ook als bestuur van een AG overgaat tot een emissie van aandelen (§ 202 III AktG). In deze gevallen ziet de derde zich gewaarschuwd door de wet. De wet regelt bovendien de gevolgen als niet aan de vereisten is voldaan.
Toch is ook in Duitsland niet altijd aan de wet te zien wie bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. De emissiebevoegdheid bijvoorbeeld ligt in de regel bij de algemene vergadering van de AG. De algemene vergadering kan deze bevoegdheid evenwel delegeren aan het bestuur (§ 202 AktG). Om derden te beschermen, heeft de wetgever daarom de nodige waarborgen ingebouwd. Een daarvan is dat de Registerrichter controleert of de emissie berust op een geldig emissiebesluit, genomen door het daartoe bevoegde orgaan.5
Al met al bestaat in Duitsland helderheid over de vraag welke besluiten indirect externe werking bezitten. Bovendien is duidelijk bij welk orgaan de vertegenwoordigingsbevoegdheid berust. Hieruit spreekt de geest van het Duitse recht en het richtlijnstelsel: derden moeten met de rechtspersoon kunnen handelen als met een natuurlijk persoon. Een uitvoerig onderzoek naar de besluitvorming binnen de rechtspersoon mag van hen niet worden verlangd. Wel behoren derden bekend te zijn met de wettelijke verdeling van bevoegdheden.6
Een en ander strekt tot aanbeveling van de Nederlandse wetgever. Intussen pleit ik ervoor het Nederlandse recht zo mogelijk uit te leggen in lijn met het Duitse recht en het richtlijnstelsel. Het verdient aanbeveling de zinsnede van art. 2:130/240 lid 3 BW beperkt te interpreteren, zodanig dat alleen dwingendrechtelijke beperkingen inbreuk maken op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuurders. Het aantal besluiten met externe werking neemt daardoor af. De positie van derden wordt navenant sterker.