Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.3
7.3 De nietig- en vernietigbaarheid van stemmen
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dijk/Van der Ploeg 2013, p. 97; Slagter/Assink 2013, p. 290. Zie in dit verband ook hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.4.
Slagter/Assink 2013, p. 293.
In de literatuur is wel de vraag opgeworpen of stem en besluit van elkaar te onderscheiden zijn wanneer sprake is van één lid binnen het orgaan, bijvoorbeeld wanneer de vennootschap één aandeelhouder heeft die alle aandelen in de vennootschap houdt. Huizink (Huizink 1995, p. 838) overweegt in dit verband: ‘Stem en besluit vallen rechtens niet van elkaar te onderscheiden’ en ‘Bij de eenpersoonsvennootschap kan in geval van besluitvorming buiten vergadering geen onderscheid worden gemaakt tussen de stemuitbrenging van de enig aandeelhouder en het besluit zelf. De stemuitbrenging is rechts irrelevant.’ Kritisch hierover: Dumoulin 1999, p. 22. Het onderscheid tussen stem en besluit lijkt mij zelfs in de door Huizink geschetste situatie relevant. Men kan immers een actie instellen tegen de stem, maar ook tegen het besluit. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan één van de twee meer voor de hand liggen.
Onder omstandigheden betreft het ook bevoegdheden die toekomen aan een vergadering van een soort aandelen, waaronder prioriteitsaandelen. Deze aandelen geven de houders daarvan binnen de vergadering bijzondere bevoegdheden (Slagter/Assink 2013, p. 517). Wanneer men enkel naar de wettelijke bepaling zelf kijkt, lijkt zij overigens anders te suggereren. In de wet wordt immers gesproken van aandelen waar bijzondere rechten aan verbonden zijn, terwijl het strikt genomen gaat om rechten die, bij prioriteitsaandelen, zijn verbonden aan de vergadering van prioriteitsaandeelhouders. De aandeelhouder verkrijgt slechts het stemrecht in die vergadering.Het is overigens maar de vraag in hoeverre het prioriteitsaandeel zijn toegevoegde waarde niet heeft verloren met de introductie van vergaderingen van soorten aandelen met de Flex-BV. Door bevoegdheden toe te kennen aan deze soort kan immers hetzelfde worden bereikt als met het prioriteitsaandeel (evenzo: Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 188).
De Minister: ‘Het verdient daarom de voorkeur, de vraag of een stem een (eenzijdige, gerichte?) rechtshandeling is, te vermijden, door een eigen regeling te geven.’ (Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 57 (MvT)). Zie in dit verband ook hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3.
Zie in dit verband: Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 103; Overes & Van Veen 2000, p. 132.
Evenzo: Overes & Van Veen 2000, p. 132; Dijk/Van der Ploeg 2013, p. 103. De wetgever had de tekst van artikel 2:13 lid 1 BWopgesteld met het oog op een eerdere versie van de bepalingen in artikel 3:32 lid 2 (Artikel 3.2.1. lid 3) en 34 lid 2 BW (artikel 3.2.2a lid 2) (zie in dit verband: Van Zeben & Du Pon 1981, p. 158 en 170). De daarin opgenomen woorden ‘eenzijdige rechtshandeling’ zijn later gewijzigd in ‘eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer personen gericht was’ (Reehuis & Slob 1990, p. 1124 en 1129). Zie anders echter: Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 145; Asser/Rensen 2012, nr. 100; De Monchy & Timmerman 1991, p. 57; Slagter/Assink 2013, p. 313.
Voor de vereniging is in artikel 2:13 lid 2 BW bepaald dat het handelingsonbekwame lid zijn stemrecht zelf kan uitoefenen tenzij de statuten zich daar tegen verzetten, omdat bij een vereniging dikwijls onbekwamen, bijvoorbeeld minderjarigen, lid zijn en het in het algemeen weinig bezwaar oplevert dat zij (zelf) een geldige stem kunnen uitbrengen (Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 58; Huizink 2013 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 13, Aant. 1.3). Voor de aandeelhouders ligt dit blijkens de parlementaire geschiedenis anders: ‘Bij andere soorten rechtspersonen, behalve de stichting, nl. de coöperatie en onderlinge en de naamloze en besloten vennootschap, heeft het lidmaatschap of aandeelhouderschap veel sterker een vermogensrechtelijke inslag, en daar ligt dan ook voor de hand dat de stem wordt uitgebracht door de wettelijke vertegenwoordiger die de vermogensrechtelijke belangen van de onbekwame behartigt.’ (Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 58 (MvT)).
Zie over de gebrekkige relatie tussen artikel 2:13 BW en 3:32/34 BW: Klein Wassink 2012, p. 173-174.
Zie in dit verband: Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 145; Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 104- 105; Van den Ingh 1992, p. 88; Slagter/Assink 2013, p. 312. Zie evenzo: Hof ’s-Hertogenbosch 8 maart 2011, LJN BP7426 (r.o. 6.5.6.).
Zie hierover: Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 145; Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 104; Slagter/Assink 2013, p. 312.
Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 145; Van den Ingh 1992, p. 88; Kortmann 1992, p. 91. Anders: Slagter 1992, p. 2.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat ook het niet volgen van een statutair voorschrift nietigheid van de stem tot gevolg heeft (Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 6, p. 3; Kamerstukken II 1984/85, 17725, nr. 7, p. 15.
Zie in dit verband: Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 104; De Monchy & Timmerman 1991, p. 57. De Monchy en Timmerman betogen dat artikel 3:40 BW (goede zeden of openbare orde) niet relevant is voor de stem, maar enkel voor het besluit zelf. Zie ook: Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 145; Slagter/Assink 2013, p. 313, al wordt daar niet verwezen naar de statuten.
Slagter/Assink 2013, p. 314.
Non-existentie doet zich voor wanneer het voor enig rechtsgevolg noodzakelijke feitencomplex ontbreekt (Huizink 2012 (Groene Serie Rechtspersonen), art. 14, aant. 4.9; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 93; Slagter/Assink 2013, p. 294). Ook in dat geval heeft het besluit geen rechtsgevolgen, maar er is geen sprake van nietigheid (zie hierover ook: Slagter/Assink 2013, p. 319).
In de Vaststellingswet Boek 2 BW was opgenomen dat het wel mogelijk was om een stem te vernietigen (artikel 2.1.8a lid 4): ‘Op de vernietiging van een stem zijn de bepalingen betreffende de vernietiging van rechtshandelingen toepasselijk, met uitzondering van art. 3.2.3 en het vijfde lid van art. 3.2.10, en met dien verstande dat onbekwaamheid en gemis aan wil leiden tot vernietigbaarheid. Een stem is ook vernietigbaar wegens een dwaling, indien het ontstaan of voortbestaan daarvan is toe te rekenen aan de rechtspersoon, of de meerderheid der vergadering bij het nemen van het besluit onder invloed verkeerde van dezelfde dwaling als degeen die de stem uitbracht.’ De invoering van dit artikel is echter achterwege gelaten bij de Invoeringswet Boek 2 BW (Van Zeben & Du Pon 1977, p. 1095 e.v.).
Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 104.
Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 58; Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 146; Dijk & Van der Ploeg 2013, p. 104; Van den Ingh 1992, p. 88. Op de vernietigbaarheid van besluiten, op deze en andere gronden, zal in hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.2. nader worden ingegaan.
Het stemrecht is hierboven meermaals betiteld als het belangrijkste organisatierechtelijke recht van de aandeelhouder, maar hoe werkt het stemmen? Binnen de vennootschap functioneert de organisatie door besluiten van de rechtspersoon die worden genomen door de daartoe bevoegde organen.1 Voor de totstandkoming van deze besluiten is nodig dat de daartoe gerechtigde leden hun stem uitbrengen.2 Het stemrecht is derhalve het recht om mee te beslissen over de totstandkoming van besluiten van de rechtspersoon.3 In het geval van de aandeelhouder betreft het besluiten over bevoegdheden die aan de algemene vergadering van aandeelhouders toekomen.4
De wetgever heeft ervoor gekozen de vraag of het stemmen als een rechtshandeling dient te worden beschouwd in zijn geheel te vermijden.5 Dit heeft zij gedaan door voor de nietig- en vernietigbaarheid van stemmen een zelfstandige regeling op te nemen, welke is neergelegd in artikel 2:13 lid 1 BW:
‘Een stem is nietig in de gevallen waarin een eenzijdige rechtshandeling nietig is; een stem kan niet worden vernietigd.’
Voor de nietigheid (maar ook geldigheid) van de stem wordt derhalve aangesloten bij de regeling voor de (eenzijdige) rechtshandeling. De wetgever geeft geen nadere motivering voor deze keuze.
Voor de nietigheid van de stem dient derhalve te worden gekeken naar de omstandigheden waaronder een eenzijdige rechtshandeling nietig is en daarvoor moet naar het algemene vermogensrecht – Boek 3 BW – worden gekeken. Opvallend is dat de wet geen algemene regel geeft voor de nietigheid van eenzijdige rechtshandelingen, maar slechts voor ongerichte eenzijdige rechtshandelingen.6 Hoewel betoogd zou kunnen worden dat daarmee de gronden voor nietigheid van een ongerichte eenzijdige rechtshandeling niet van toepassing zijn, mag worden aangenomen dat de wetgever dit wel voor ogen had.7 Een stem is derhalve onder meer nietig wanneer de uitbrenger van de stem handelingsonbekwaam (artikel 3:32 lid 2 BW)8 is of een geestelijke stoornis (artikel 3:34 lid 2 BW) heeft.9 Daarnaast is de stem ook nietig wanneer deze is uitgebracht door iemand die daartoe niet bevoegd is (bijvoorbeeld wanneer hem geen stemrecht toekomt of zijn stemrecht hem op basis van artikel 2:12 BW is ontnomen)10 of wanneer de vertegenwoordiger niet vertegenwoordigingsbevoegd is.11 Is de vertegenwoordiger niet vertegenwoordigingsbevoegd, dan kan de vertegenwoordigde de stem (schriftelijk) bekrachtigen (artikel 3:69 lid 1 BW).12 Tot slot is een stem nietig wanneer deze niet in de wettelijk of statutair13 voorgeschreven vorm is uitgebracht (artikel 3:39 BW) en wanneer de stem door zijn inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde (artikel 3:40 BW).14
Als bij de besluitvorming door de algemene vergadering van aandeelhouders één of meer stemmen worden uitgebracht die nietig blijken te zijn, kan dit gevolgen hebben voor de geldigheid van het genomen besluit. Assink schetst in dit verband een overzicht van de mogelijke scenario’s.15 Allereerst kan zich het scenario voordoen dat de voorzitter de nietige stemmen meetelt en door het meetellen van die stemmen het besluit bij meerderheid van stemmen wordt aangenomen. In dat geval is sprake van een non-existent besluit.16 Een tweede scenario is dat het lijkt alsof het voorstel tot het nemen van een bepaald besluit wordt verworpen, maar het stemvoorstel eigenlijk is aangenomen, omdat het aantal nietige stemmen gericht tegen het besluit zo groot is dat de vereiste meerderheid voor aanname van het besluit is verkregen. In dit geval is er wel sprake van een besluit, al is tot het ontdekken van de nietigheid hier niemand van op de hoogte.
In beginsel bestaat voor iedere belanghebbende de mogelijkheid om de voornoemde scenario’s onder de aandacht van de vennootschap te brengen. Deze zal dan het rechtens genomen besluit moeten uitvoeren. Er bestaat echter – zoals gezegd – wel de mogelijkheid om de nietigheid te repareren, bijvoorbeeld, door de stem te bekrachtigen wanneer de vertegenwoordiger niet vertegenwoordigingsbevoegd was.
Uit artikel 2:13 lid 1 BW volgt niet alleen wanneer een stem nietig is, maar ook dat een stem niet vernietigbaar is.17 Dit wordt door de Minister als volgt onderbouwd:
‘Vernietigbaarheid van stemmen wordt terecht veelal als onwenselijk beschouwd, nog afgezien van de vraag of een stem als een – zelfstandige – rechtshandeling kan worden gezien. In ieder geval passen de wijzen waarop rechtshandelingen kunnen worden vernietigd – buiten rechte of, in rechte, door een vordering of krachtens verweer – slecht bij stemmen in rechtspersoon; zo is reeds aanstonds onduidelijk wie als tegenpartij in een proces zou moeten – en zinvol kunnen – optreden. Het verdient dan ook de voorkeur, vernietiging van stemmen op zichzelf niet toe te laten. Wel zal men onder omstandigheden een genomen besluit zelf, als vernietigbaar wegens gebreken in zijn totstandkoming of als in strijd met de redelijkheid en billijkheid, kunnen aantasten, of alsnog bij nieuw besluit intrekken; gewoonlijk zullen leden en aandeelhouders de middelen ter beschikking staan om onder de gegeven omstandigheden ook dit laatste te bewerken (vgl. ook de artikelen 41, 110-111 en 221-222).’18
De stem is dus niet vernietigbaar, hetgeen betekent dat de stem die onder dwaling of bedrog tot stand is gekomen niet kan worden vernietigd.19 Desalniettemin kunnen dergelijke omstandigheden (als zelfstandige rechtsgrond maar ook in het kader van de redelijkheid en billijkheid) wel gevolgen hebben voor de vernietigbaarheid van het besluit.20