Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.5
7.5 De geschillenregeling: uitstoting van de aandeelhouder
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS296529:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Onder bijzondere omstandigheden kan de geschillenregeling analoog worden toegepast in kort geding. Daarvoor moet wel sprake zijn van een uitzonderlijke situatie die een direct ingrijpen vereist om het voortbestaan van de vennootschap te waarborgen (zie zo ook: Bulten in haar annotatie onder Rb. Breda 12 augustus 2009, JOR 2009, 281 (Pilot Design); Rb. Breda 23 november 2011, JOR 2012, 37). Zie over deze mogelijkheid uitgebreider: Slagter/Assink 2013, p. 1320-1323; Bulten 2011, p. 336-361.
Zie over de (nieuwe) geschillenregeling onder meer: Bulten 2011; Bulten (e.a.) 2011; Buijn & Storm 2013, p. 1092-1113; Slagter/Assink 2013, p. 1283-1333. De andere mogelijkheid (het uittreden van de aandeelhouder (belanghebbende) wiens belang wordt geschaad), laat ik hier verder buiten beschouwing. Dit is niet zozeer een mogelijkheid tegen een (andere) aandeelhouder, maar veeleer een mogelijkheid voor de aandeelhouder (zijnde belanghebbende) om zelf uit te treden.
Stb. 1988, 516.
Zie over de totstandkomingsgeschiedenis: Bulten 2011, p. 14-27.
Artikel 2:343 BW.
Rb. Rotterdam 18 juni 1990, KG 1990, 259.
Zie over deze vertraging en de gemiddelde periode tot de einduitspraak in hoger beroep: Buijn & Storm 2013, p. 1093. Zie over dit probleem ook: Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 17; Bulten 2005; Gerretsen 2005; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 353; Soerjatin 2006.
Buijn & Storm 2013, p. 1093.
Kamerstukken I 2011/12, 31058 & 32426, C, p. 1.
Artikel 2:336 lid 1 BW.
Evenzo: Slagter/Assink 2013, p. 1290.
Deze bepaling lijkt nog niet helemaal ‘flex-bv proof’. Nu de blokkeringsregeling niet langer verplicht is voor de besloten vennootschap, ligt het niet voor de hand dat de geschillenregeling slechts onder omstandigheden van toepassing is bij een naamloze vennootschap, maar bij een besloten vennootschap altijd.
Artikel 2:336 lid 1 BW
Bulten 2011, p. 61-64; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 355.
Zie in dit verband onder meer: Hof Amsterdam (OK) 10 september 1992, NJ 1993, 38; Hof Amsterdam (OK) 27 oktober 1993, TVVS 1995, p. 76-77; Hof Amsterdam (OK) 23 februari 1995, NV 72; Hof Amsterdam (OK) 10 april 2003, JOR 2003, 144 m.nt. Bulten; Hof Amsterdam (OK) 30 maart 2010, JOR 2010, 221.
Van Steenbergen 1988, p. 171.
Zie in dit verband: Bulten 2011, p. 61-62, en in het bijzonder: Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001, 110 en (vervolgens) Hof Amsterdam 10 april 2003, JOR 2003, 144 m.nt. Bulten.
Bulten 2011, p. 67.
In hoofdstuk 6 is gebleken dat tegenover het eigen belang van de aandeelhouder niet alleen het vennootschappelijk belang kan staan, maar onder omstandigheden ook een specifiek belang. Bij besloten verhoudingen (en conflicten daarbinnen) zal dit in de regel het belang van de andere aandeelhouders zijn (hoofdstuk 6, paragraaf 6.4.4.).
Dit volgt ook uit de voornoemde uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake Hoffmann (Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001, 110), waar de rechtbank vond dat de vennootschap niet de dupe mocht worden van de onmogelijkheid om een onderscheid te maken tussen de hoedanigheden waarin gedragingen plaatsvonden. De rechtbank overwoog: ‘Nu voorts is gebleken dat het ontstaan en voortbestaan van deze impasse in overwegende mate aan de gedragingen van Senior moet worden geweten (waarbij de omstandigheid dat niet altijd een duidelijk onderscheid is aan te brengen tussen zijn gedragingen als directeur, aandeelhouder dan wel privé persoon de vennootschap hier niet ten nadele kan strekken) is de gevorderde overdracht van de aandelen toewijsbaar en zal op dezelfde gronden ook het gevorderde op grond van artikel 2:339 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek worden toegewezen.’ Zie in dit verband ook: Bulten 2011, p. 17, waar zij aanhaalt dat de Commissie Vennootschapsrecht het heeft over de geschillenregeling en de focus op de positie van de aandeelhouder die in het geding is als gevolg van het feit dat de aandeelhouder zich misdroeg tegenover de vennootschap. Daar kunnen echter ook een aantal argumenten tegenin gebracht worden. Het oorspronkelijke idee van de geschillenregeling kwam naar voren bij de invoering van de besloten vennootschap toen men op de vraag stuitte hoe problemen tussen aandeelhouders konden worden opgelost (Bulten 2011, p. 14). Dit idee van geschillenbeslechting komt ook terug in de parlementaire geschiedenis van de geschillenregeling: ‘Het wetsontwerp strekt ertoe een uitweg te bieden in geval van geschillen tussen aandeelhouders die de samenwerking in een besloten vennootschap of naamloze vennootschap met besloten karakter ernstig bemoeilijken. Het kan zijn dat groepen aandeelhouders tegenover elkaar staan, waardoor besluitvorming in de vennootschap niet meer mogelijk is en een goede gang van zaken wordt belemmerd. Het kan ook zijn dat een minderheid van aandeelhouders door de meerderheid in een onhoudbare positie wordt gebracht. Moeilijkheden kunnen zich vooral voordoen in familievennootschappen. Daarin voelen de aandeelhouders zich nauwer betrokken bij de gang van zaken dan aandeelhouders die uitsluitend uit beleggingsoverwegingen een aandeel kopen. De onenigheid kan hoog oplopen, in het bijzonder wanneer uit de tegengestelde kampen bestuurders worden benoemd die de strijd tussen de aandeelhouders in het bestuur voortzetten of wanneer de aandeelhouders tevens bestuurder zijn.’ (Kamerstukken II 1984/85, 18905, nr. 3, p. 1 (MvT)).
Het door de belanghebbende middels een kort geding of enquêteprocedure afdwingen van de verplichting tot een doen of laten van de aandeelhouder is niet de enige mogelijkheid die ter beschikking staat van de belanghebbende die zich wil weren tegen het gedrag van een aandeelhouder.
Geschillen kunnen vaak slechts beslecht worden wanneer één van de aandeelhouders zijn aandelen definitief vervreemdt, hetgeen binnen het kort geding (behoudens bijzondere omstandigheden)1 en de enquêteprocedure niet goed mogelijk lijkt. Een andere mogelijkheid, waarbij wel definitief afscheid kan worden genomen van een aandeelhouder, is gelegen in het instellen van een vordering tot het ‘uitstoten’ van de ongewenste aandeelhouder, hetgeen is geregeld in artikel 2:336 t/m 2:341 BW en onderdeel uitmaakt van de geschillenregeling.2
De geschillenregeling is sinds 1 januari 1989 van kracht3 en ziet – kort gezegd – op het beëindigen van geschillen binnen een besloten verhouding op grond van gerechtelijke tussenkomst, waarbij één van de aandeelhouders zijn aandelen overdraagt.4 Daarbij bestaat naast de vordering tot uittreding5 en tot overdracht van het stemrecht van vruchtgebruikers en pandhouders,6 de mogelijkheid om te vorderen dat de (ongewenste) aandeelhouder zijn aandelen overdraagt. Deze aandelen moeten wel worden overgedragen aan een andere aandeelhouder en niet aan een derde.7
Tot voor kort was de geschillenregeling nauwelijks bruikbaar, omdat er veel mogelijkheden tot vertraging bestonden.8 In het kader van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht is een aantal wijzigingen doorgevoerd in de geschillenregeling, maar aangenomen wordt dat dit in de praktijk (nog) niet tot het gewenste resultaat zal leiden.9 De Minister heeft dan ook toegezegd dat een bredere herziening van de geschillenregeling zal worden ingezet.10
Een vordering tot uitstoting kan enkel worden ingesteld door één of meer aandeelhouders die alleen of tezamen ten minste een derde van het kapitaal verschaffen.11 Dit betekent dat het mogelijk is dat een minderheidsaandeelhouder een meerderheidsaandeelhouder uitstoot.12 Degene die de aandelen ten titel van beheer houdt, dient toestemming te hebben van certificaathouders. De vennootschap zelf of een dochtermaatschappij kan geen vordering instellen.13
Niet alleen met betrekking tot de belanghebbenden die een vordering tot het uitstoten van de aandeelhouder willen instellen, is de reikwijdte van de geschillenregeling beperkt, ook is de geschillenregeling niet op alle kapitaalvennootschappen van toepassing. Blijkens artikel 2:335 BWis de geschillenregeling, en dus de vordering tot het uitstoten van de aandeelhouder, beperkt tot besloten vennootschappen en naamloze vennootschappen, voor zover bij de laatstgenoemde in de statuten is opgenomen (i) dat de vennootschap uitsluitend aandelen op naam kent, (ii) dat de vennootschap een blokkeringsregeling kent en (iii) dat het niet toegelaten is met medewerking van de vennootschap certificaten aan toonder uit te geven.14
Wil een vordering tot uitstoting slagen, dan moet de aandeelhouder die wordt uitgestoten het belang van de vennootschap zodanig schaden of hebben geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kan worden geduld.15 Daarbij moet het gaan om gedragingen van de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder.16 Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de aandeelhouder de besluitvorming frustreert17 of ervoor zorgt dat de besluitvorming niet wenselijk (vanuit het oogpunt van het vennootschappelijk belang) uitvalt.18 Gaat het om gedragingen van de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als bestuurder of crediteur, dan zal dit niet leiden tot uitstoting, al blijkt dat tussen de verschillende hoedanigheden waarin gedragingen worden verricht niet altijd goed een onderscheid kan worden gemaakt.19
Het gaat bij de geschillenregeling om het schaden van het vennootschappelijk belang. Bulten is ongelukkig met het vennootschappelijk belang als de gekozen norm.20 Zij wijst erop dat dit bovenal een richtlijn is voor bestuurders en commissarissen, dat de aandeelhouder zich mag laten leiden door zijn eigen belang en dat deze vrijheid wordt begrensd door de redelijkheid en billijkheid. Hoewel ik het daar mee eens ben, vraag ik mij af waarom het vennootschappelijk belang dan niet (in ieder geval) tegenover het eigen belang van de aandeelhouder kan worden geplaatst op grond van de redelijkheid en billijkheid. Reeds in hoofdstuk 6 heb ik nader toegelicht waarom mijns inziens tegenover het belang van de aandeelhouder het belang van de vennootschap staat. Die redenering sluit goed aan op het vennootschappelijk belang als de te hanteren norm.
Bovendien lijkt mij het door Bulten aangedragen alternatief, de redelijkheid en billijkheid, weinig overtuigend, althans verandert het niets. Is het niet de codificatie van normen die voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid die tot gevolg hebben dat een aandeelhouder kan worden uitgestoten wanneer hij het vennootschappelijk belang zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld? Anders gezegd, is het niet de redelijkheid en billijkheid die meebrengt dat het vennootschappelijk belang niet zodanig mag worden geschaad en dat wanneer dit wel gebeurt, de aandeelhouder onder omstandigheden kan worden uitgestoten? Verdedigd kan worden dat de belangen van de andere aandeelhouders, die de uitstoting vorderen, gebaat zijn bij het uitstoten van de aandeelhouder en dat wanneer de redelijkheid en billijkheid de gehanteerde norm was dit belang als voldoende kon worden beschouwd.21 Het is maar de vraag of onder dergelijke omstandigheden uitstoting de geijkte weg is. Betoogd kan worden dat de geschillenregeling hoofdzakelijk bedoeld lijkt te zijn om de continuïteit van de vennootschap te waarborgen en impasses in de besluitvorming (ten behoeve van de vennootschap, niet (direct) ten behoeve van de individuele aandeelhouder) te doorbreken.22