Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.1:9.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940312:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3.4 is duidelijk geworden dat de reguliere regels voor bewijslastverdeling ten aanzien van de heffing hun grond vinden in de redelijkheid. De hoofdregel (wie stelt, bewijst) betekent dat de primaire bewijslast voor positieve heffingscomponenten op de inspecteur rust, terwijl de primaire bewijslast voor negatieve heffingscomponenten op de belastingplichtige rust. Dit uitgangspunt kan ertoe leiden dat dezelfde feitelijkheid in verschillende omstandigheden door verschillende partijen moet worden bewezen. Ook op grond van de verschillende subregels ligt de bewijslast – afhankelijk van de omstandigheden – nu eens bij de ene partij, dan weer bij de andere. Deze bewijslastverdeling naar redelijkheid levert in de sfeer van de boeteoplegging problemen op. De belangrijkste reden daarvoor is dat de waarborgen van het EVRM, in het bijzonder de onschuldpresumptie, een toedeling van de bewijslast aan de boeteling verhinderen. De reikwijdte van de onschuldpresumptie is echter niet onbegrensd. Op de terreinen die niet worden bestreken door de onschuldpresumptie, gelden de uitgangspunten van de redelijke verdeling – ook in de sfeer van de boeteoplegging – weer wél. De bijzondere rechtsnormen van art. 6 EVRM vormen ook op die terreinen echter een aanvulling op de algemene redelijkheidsnorm.
In het navolgende ga ik nader in op de in de sfeer van de boete te bewijzen stellingen, waarbij ik in paragraaf 9.2 eerst een onderscheid aanbreng tussen stellingen waarvoor de onschuldpresumptie geldt (‘centrale stellingen’) en stellingen waarvoor de onschuldpresumptie niet geldt (‘perifere stellingen’). Vervolgens werk ik de bewijslastverdeling nader uit voor zowel de centrale stellingen (paragraaf 9.3) als de perifere stellingen (paragraaf 9.4).