Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.2:9.2 Centrale versus perifere stellingen
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.2
9.2 Centrale versus perifere stellingen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940415:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot de bewijslast en de verdeling daarvan bij de fiscale bestuurlijke boete moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee categorieën bewijsobjecten. De eerste categorie omvat de bestanddelen van de delictsomschrijving (de elementen van het beboetbare feit zoals dat in de wet is omschreven). Deze categorie behelst dus de beboetbare gedraging als zodanig: het gaat om het handelen of nalaten dat volgens de wet een beboetbaar feit oplevert. Voor deze categorie stellingen geldt de onschuldpresumptie. In het strafrecht zou de betreffende gedraging in de tenlastelegging (moeten) zijn terechtgekomen. In het vervolg duid ik deze categorie aan met de term centrale stellingen.
De tweede categorie ziet op alle voor de uiteindelijke boeteoplegging relevante feiten en omstandigheden, die geen onderdeel zijn van de delictsomschrijving. Het gaat dus om aspecten die niet rechtstreeks zijn terug te vinden in de wettelijke omschrijving van het beboetbare feit, maar wel invloed hebben op de vraag óf een boete gerechtvaardigd is, en zo ja, hoe hoog die boete in het concrete geval zou moeten zijn. Voor deze categorie stellingen geldt de onschuldpresumptie in beginsel niet. Deze categorie duid ik in het navolgende aan met de term perifere stellingen. Tot de perifere stellingen behoren voornamelijk disculpatiegronden (stellingen die de boeteling kan innemen met als doel om zich geheel of gedeeltelijk van de boete te kwijten). Te denken valt bijvoorbeeld aan een beroep op een pleitbaar standpunt, vrijwillige verbetering, het ne bis in idem-beginsel of de leer van het onrechtmatig verkregen bewijs. Ook de inspecteur kan echter perifere stellingen innemen, waarbij het meestal zal gaan om strafverzwarende omstandigheden.
Hoewel er veel voor te zeggen is om stellingen over de strafmaat in een afzonderlijke categorie onder te brengen, schaar ik dergelijke stellingen toch onder de categorie perifere stellingen. Het criterium dat ik hanteer voor het onderscheid tussen centrale en perifere stellingen is immers de vraag of de onschuldpresumptie daarop van toepassing is of niet. Omdat voor stellingen die de strafmaat betreffen de onschuldpresumptie niet geldt, zijn het perifere stellingen.1 Dat laat onverlet dat voor feiten en omstandigheden die van invloed zijn op de individuele straftoemeting bewijsrechtelijk enkele bijzonderheden gelden. Die bijzonderheden komen onder meer aan de orde in paragraaf 9.4.17 hierna en (uitgebreid) in hoofdstuk 14.2
In het navolgende werk ik achtereenvolgens de bewijslastverdeling ten aanzien van de centrale stellingen (paragraaf 9.3) respectievelijk de perifere stellingen (paragraaf 9.4) nader uit.