Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.8.7.1
2.8.7.1 Inleiding
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS496423:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De uitdrukking ‘vermogensklem’ is ontleend aan C.W. de Monchy, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 141.
Zie C.W. de Monchy, Rechtspersonen, artikelsgewijs commentaar, art. 2:18 BW, 1998, aantekening 6.
In soortgelijke zin C.W. de Monchy, Rechtspersonen, Deventer: Kluwer, artikelsgewijs commentaar, art. 2:18 BW, aantekening 6. Zie ook C.W. de Monchy, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, Zwolle: Tjeenk Willink, 1991, p. 144, alwaar hij opmerkt dat het onduidelijk is waarom de wetgever niet voor een wettelijke reserve heeft gekozen. Zie ook J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, nr. 153.
Vergelijk B. Snijder-Kuipers, ‘Vermogensklem bij omzetting van stichtingen’, TvOB, 2008-2, p. 50.
Toelichting ambtelijk voorontwerp op art. I, B.
Kamerstukken II 1953/45, 3463, nr. 3, p. 12.
In soortgelijke zin J.M. Polak, De Wet op de stichtingen 1956, IJmuiden: Vermande Zonen 1956, p. 136.
J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, nr. 154, p. 168 en C.W. de Monchy, Rechtspersonen, artikelsgewijs commentaar, art. 2:18 BW, 1998, aantekening 6 en L. Timmerman, ‘Enkele opmerkingen van theoretische aard over de omzetting van rechtspersonen’, S&V 1993, p. 147.
Voorbeeld ontleend aan M.J.G.C. Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Kluwer 2006, p. 500.
J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, nr. 154, p. 168 en C.W. de Monchy, Rechtspersonen, Deventer: Kluwer, artikelsgewijs commentaar, art. 2:18 BW, aantekening 6 en L. Timmerman, ‘Enkele opmerkingen van theoretische aard over de omzetting van rechtspersonen’, S&V 1993, p. 147.
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 18, opgenomen in: Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 190.
Vergelijk J.M.M. Maeijer, Vertegenwoordiging en rechtspersoon: de rechtspersoon (deel 2-II Asser-serie), Deventer: Tjeenk Willink 1997, nr. 154, p. 168. Rb. Zwolle 7 februari 2003, nr. 2003, nr. HARK02-78, JOR 2004/2 (BV Icare Thuiszorgwinkels Flevoland) verleende een in een stichting omgezette BV toestemming de vermogensklem uit haar statuten te schrappen. Anders: B. Snijder-Kuipers, ‘Vermogensklem bij omzetting van stichtingen’, TvBO 2008-2, p. 51 die de mogelijkheid uitgesloten acht dat een rechter toestemming geeft de vermogensklem uit de statuten te schrappen uitgesloten.
Omtrent het lot van het vermogen bij de omzetting van een stichting bepaalt art. 2:18 lid 6 BW het volgende:
‘Na de omzetting van een stichting moet uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij bij de omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Hetzelfde geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en deze vruchten daarop krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan.’
Deze bepaling, die vaak wordt aangeduid als ‘de vermogensklem’, geldt bij elke omzetting van een stichting, derhalve bij een vijftal omzettingen, te weten de omzetting van een stichting in een NV, BV, vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij.1 De vermogensklem waakt vooral tegen het bij deze omzettingen bestaande gevaar dat de nieuwe aandeelhouders of leden zich te eigen bate van het vermogen van de stichting meester maken.2 Voor de hand ligt dat een statutaire (gebonden) reserve ex art. 2:373 lid 1 onderdeel f BW wordt gevormd ter zake van het beklemde vermogen.3 Het is niet zo dat dit vermogen ‘afgescheiden’ is van het overige vermogen van de rechtspersoon: het maakt daarvan integraal deel uit.4 In het ambtelijk voorontwerp van het wetsvoorstel tot ‘Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de introductie van een rechtsvorm voor de maatschappelijke onderneming’ wordt voorgesteld om de vermogensklem ook toe te passen bij de omzetting van een maatschappelijke onderneming in een andere rechtsvorm van Boek 2 BW (zie over het ambtelijk voorontwerp par. 2.2.5 hiervóór). Na de omzetting moet het vermogen en de vruchten daarvan ten goede komen aan het door de maatschappelijke onderneming nagestreefde maatschappelijke belang. De toelichting op het ambtelijk voorontwerp spreekt in dit verband over het opwerpen van een dam tegen het ‘weglekken van uit de collectieve middelen afkomstig vermogen en de vruchten daarvan’.5
De min of meer als voorlopers van de vermogensklem te beschouwen art. 19 lid 6 Wet op de stichtingen 1956 alsmede art. 2:18 en art. 2:20 lid 3 BW (oud) hadden een meer rigide karakter. Op grond van deze regelingen kon gedurende tien jaren na de omzetting van een stichting in een andere rechtspersoon een rechtsgeldige liquidatie van de rechtspersoon slechts tot stand komen wanneer de bestemming van het batig saldo door de Minister van Justitie was goedgekeurd. Volgens de toelichting was deze maatregel ‘nodig om te voorkomen, dat een omzetting van een als een stichting opgerichte rechtspersoon (...) wordt misbruikt om zich het vermogen van de stichting toe te eigenen’.6 Het rigide karakter zat natuurlijk in de veronderstelling dat een periode van meer dan tien jaar lang genoeg is om te mogen aannemen dat de omzetting met eerbare motieven is ondernomen.7
De vermogensklem brengt met zich dat de in de statuten van de stichting opgenomen doelomschrijving in beginsel een zekere nawerking heeft, ook al wordt de doelomschrijving in het kader van de omzetting gewijzigd.8 Zo mogen de gelden die bij een stichting waren bestemd voor archeologisch onderzoek niet zonder rechterlijke toestemming na omzetting in bijvoorbeeld een BV worden aangewend voor de exploitatie van een snackbar.9 Een hierop aansluitende nawerking heeft het voor de stichting geldende zogenoemde ‘uitkeringsverbod’ op de voet van art. 2:283 lid 3 BW.10 Dit verbod houdt in dat het een stichting niet is toegestaan uitkeringen te doen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen, tenzij wat deze laatsten betreft de uitkeringen een ideële of sociale strekking hebben.
Vanzelfsprekend verliest de vermogensklem haar kracht wanneer het vermogen dat er bij de omzetting was en de vruchten daarvan, conform het oude stichtingsdoel zijn besteed.11 Hetzelfde geldt als het vermogen en de vruchten daarvan – met toestemming van de rechter – anders zijn besteed. Voor het schrappen van de statutaire bepaling is evenwel rechterlijke toestemming vereist, evenals voor een andere besteding van het vermogen (zie par. 2.8.7.2 hierna).12