Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/6.2.3
6.2.3 Het disclosure statement in Nederland
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702053:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
J.L. Smeehuijzen, TVP 2003/4, p. 126-129.
O.a.: Hof Den Haag 26 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8296; Rb. Amsterdam 18 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:865; Hof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1516; Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1786; Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5452.
Vergelijk bv: Hof ’s-Hertogenbosch 19 november 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:5452; Hof Den Haag 26 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8296; Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN1786; Rb. Amsterdam, 10 november 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BP5627; Hof ’s-Hertogenbosch, 20 september 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:4282; Rb. Amsterdam 18 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:865.
M. Visser, TVP 2015/2, p. 36.
Zie ook: Keulen e.a. 2010, p. 37-38 en p. 235.
De Ridder e.a.2014, p. 28.
Stb. 2009, 359.
Zie: https://www.schadedoormijnbouw.nl/schade-gebouwen-objecten/advies-deskundigen/vereisten-voor-deskundigen. Zeldzame uitzondering: Rb. Noord-Nederland 25 februari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:634.
In Nederland werd voor het eerst aandacht gevraagd voor het disclosure statement door Smeehuizen. Hij pleitte begin jaren 2000 voor de invoering van een disclosure statement naar analogie van de hierboven beschreven Engelse variant.1 Tot een rechtsgebied overstijgende doorbraak van het disclosure statement is het in Nederland evenwel nooit gekomen. Wel wordt het controlemechanisme in bepaalde rechtsgebieden ingezet, althans bestaan de mogelijkheden daartoe.
Allereerst wijs ik op de inzet van medisch deskundigen in (voornamelijk) het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht. Het komt daar regelmatig voor dat van de medisch deskundige wordt verlangd dat deze een disclosure statement overlegt.2 Dat er in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht relatief vaak gebruik gemaakt wordt van disclosure statements komt door de inspanningen van de Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen (hierna: IWMD). In samenwerking met de Vrije Universiteit heeft de IWMD een model disclosure statement opgesteld.3 Dat model wordt door de rechter vaak letterlijk gehanteerd wanneer deze een disclosure statement van de medisch deskundige verlangt.4 De IWMD-vraagstelling is op haar beurt weer gebaseerd op paragraaf 3.2 van de Engelse Practice Direction (zie § 6.2.2).5
Vergelijkbaar met de Engelse equivalent is het IWMD-disclosure statement dus onderverdeeld in een gedeelte kwalificaties en een gedeelte wetenschappelijke stellingname. Afwijkend ten opzichte van de Engelse variant is de expliciete toevoeging van vragen omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige. Zo wordt de deskundige gevraagd waar hij werkzaam is, wat zijn nevenfuncties zijn en hoe vaak en in wiens opdracht de deskundige in het verleden is opgetreden. Het standaard IWMD-disclosure statement luidt daarmee als volgt:
“1. Persoonlijke gegevens
a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werk-zaam bent gaarne alle noemen)
b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (Te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)
d. Heeft u in het verleden reeds als expertiserend deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (Met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)
2. Medisch wetenschappelijke opvattingen
a. Bestaan er over het onderwerp van de expertise medisch-weten-schappelijk uiteenlopende opvattingen?
Indien uw antwoord op vraag 2a bevestigend luidt:
b. Kunt u in hoofdlijnen uiteenzetten in welk opzicht de meningen uiteenlopen (voor zover mogelijk met verwijzing naar literatuur)?
c. Welke is uw eigen opvatting?
d. Kunt u aangeven of een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen dan waartoe u komt?
e. Als inderdaad een deskundige met een andere opvatting in het onderhavige geval tot een ander oordeel was gekomen: kunt u aangeven wat dat oordeel zou zijn geweest?”
Weliswaar anders van opzet, maar ook een vorm van een disclosure statement wordt toegepast in het strafrecht. Op grond van art. 51l lid 1 Sv dienen deskundigen in strafzaken in het adviesrapport aan te geven welke forensische onderzoeksmethode is toegepast, in welke mate die methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid de deskundige heeft bij de toepassing van de methode. Het disclosure statement in het strafrecht is beduidend beperkter in omvang dan de IWMD-variant, maar vormt wel een wettelijk verplicht onderdeel van elk deskundigenrapport.6 Het strafrechtelijke disclosure statement kan als erfenis van het eerdergenoemde orthopedische schoenmaker-arrest worden beschouwd.7Art. 51l Sv maakte overigens onderdeel uit van de Wet deskundige in strafzaken,8 bij welke wet ook het NRGD in het leven is geroepen.
Ook het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) – dat is belast met de bestuursrechtelijke afwikkeling van schadeaanvragen ten gevolge van mijnbouw – kent voor aanvragers de mogelijkheid om een disclosure statement te vragen. Het IMG geeft aan dat er van die mogelijkheid slechts spaarzaam gebruik wordt gemaakt.9 In tegenstelling tot het strafrechtelijke disclosure statement, dat voornamelijk gericht is op de inhoudelijke kwalificaties en toegepaste methodiek, is het disclosure statement van het IMG voornamelijk gericht op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige. Naast de vraag welke opleiding de deskundige heeft genoten, wordt immers inzicht gevraagd in waar de deskundige werkzaam is, waar hij voorheen werkzaam is geweest en welke nevenfuncties hij bekleedt.
Tenslotte wijs ik nog op de mogelijkheden van disclosure binnen het planschade- en nadeelcompensatierecht. Op grond van art. 4 van de modelverordening ‘Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade’ van de VNG – bij welk model de meeste gemeenten hebben aangeknoopt – kan het college, voordat de deskundige wordt benoemd, verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn (zie hierna ook § 7.2.2).