Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.4.2:3.4.2 De uitkomst: Totstandkomingsvertrouwen in "enigerlei contract"
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/3.4.2
3.4.2 De uitkomst: Totstandkomingsvertrouwen in "enigerlei contract"
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS299430:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 februari 2008, RvdW 2008, 284 ()C/Shell).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 29 januari 20081 wees de Hoge Raad evenwel een arrest waarbij niet langer wordt gerefereerd aan "de overeenkomst", zoals in het arrest JPO/CBB, maar wederom aan het begrip "enigerlei contract". Het ging in deze uitspraak om twee professionele partijen die met elkaar onderhandelden over een aandelentransactie en waarbij de verkopende partij de onderhandelingen op enig moment afbrak. De Hoge Raad oordeelde tot twee keer toe (in de rechtsoverwegingen 3.3 en 3.4) dat bij de teleurgestelde partij niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben bestaan dat "enigerlei overeenkomst" tot stand zou komen, respectievelijk dat de klachten in het onderhavige geval niet tot cassatie konden leiden:
"omdat voor vergoeding van het positief contractsbelang bij afgebroken onderhandelingen geen plaats is wanneer de wederpartij van degene die de onderhandelingen afbrak niet erop mocht vertrouwen dat in ieder geval enigerlei contract uit de onderhandelingen zou resulteren" (cursivering MR).
Daarmee lijkt de Hoge Raad weer aan te sluiten bij de formulering zoals die door de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg voor het eerst werd gebruikt en dat geeft een partij die een vordering instelt wegens afgebroken onderhandelingen meer mogelijkheden om totstandkomingsvertrouwen of, zo men wil, rechtens relevant vertrouwen in het welslagen van de onderhandelingen, aannemelijk te maken. Zo het al de bedoeling van de Hoge Raad is geweest om een beperking aan te brengen op het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen in het arrest JPO/CBB, lijkt die beperking dus vooralsnog uitsluitend te moeten worden gezocht in de grotere mate van terughoudendheid die, ten opzichte van de op dat moment vigerende jurisprudentie, moet worden toegepast bij het vaststellen van het totstandkomingsvertrouwen in het algemeen. Dit vertrouwen behoeft zich echter niet uitsluitend te beperken tot de overeenkomst waarover in concreto tijdens de onderhandelingen werd gesproken; ook totstandkomingsvertrouwen ten aanzien van overeenkomsten die in het (onmiddellijke) verlengde daarvan liggen, dient te worden gehonoreerd.