Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.6.2
4.6.2 Twee modellen
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS600711:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze analyse is grotendeels ontleend aan Shapiro 1998, p. 916, 918-919. Een andere analyse die recenter is en toegespitst op de benadering van de causaliteitsvraag in de setting van class action, maar naar mijn mening uiteindelijk op hetzelfde neerkomt, vindt men bij Gifford 2005, p. 11-24. Hij spreekt van het 'instrumentele' concept en het 'corrective justice' —concept.
In navolging van Shapiro 1998, p. 916, noot 3 reken ik tot de exponenten van deze stroming onder andere Epstein 1990, Solomon 1997, Trangsrud 1989. Ik zou hieraan nog Nagareda 2002 willen toevoegen.
Shapiro 1998, p. 918.
Cooper 1996, p. 26-32 is waarschijnlijk één van de eerste auteurs die het 'entiteit-begrip' in de class action literatuur introduceert en de aandacht vestigt op de mogelijke implicaties daarvan: Shapiro 1998, p. 917, noot 6.
Deze entiteiten zijn niet helemaal te vergelijken met de class, omdat de leden in de genoemde voorbeelden ervoor gekozen hebben om er lid van te worden, maar in de meeste gevallen is de keuze feitelijk minder vrijwillig dan op het eerste gezicht lijkt. Bovendien is de vergelijking nuttig voor de beeldvorming: Shapiro 1998, p. 921-2.
Exponenten van dit model zijn onder andere Weinstein 1995, Bone 1990, 1992, 1993, Hay 1997, Rosenberg: eigenlijk al zijn publicaties in de afgelopen 15 jaar.
Dat is ook gebleken uit reacties op Een nieuwe balans 2003: Uitgebalanceerd 2006, p. 49-51.
Shapiro 1998, p. 916 en noot 4.
Sommige die als exponenten werden genoemd van het entiteitmodel kunnen ook hieronder worden geschaard, zoals Weinstein 1995 en Rosenberg.
Er zijn drie stromingen1 in het denken over de aard en het doel van groepsvorming in het proces die om het debat te scherpen, teruggebracht kunnen worden tot twee procesmodellen. Deze beogen niet een weergave van de werkelijkheid, maar zijn zoals gezegd vooral bedoeld om de gedachtevorming over de problematiek te stroomlijnen.
De 'klassieke' stroming2 waarin partijautonomie centraal staat, leidt tot wat ik noem: het `consolidatiemoder . Dat houdt in dat de vorming van een groep in het proces een consolidatietechniek is om de afzonderlijke leden in staat te stellen profijt te trekken van een krachtenbundeling tegen een gemeenschappelijke tegenstander. De autonomie en het zelfbeschikkingsrecht van partijen dienen zo veel mogelijk te worden gerespecteerd, hoewel enige inbreuk daarop onvermijdelijk kan zijn om de voordelen van de krachtenbundeling te effectueren. De inbreuk dient echter zo beperkt mogelijk te blijven. De implicaties van dit model, dat men heel duidelijk in het Engelse regime herkent, zijn onder meer dat de afzonderlijke groepsleden over een eigen advocaat blijven beschikken, dat zij het recht houden om op elk gewenst moment de groep en de procedure te verlaten en dat zij een actieve rol in het proces blijven spelen zolang zij lid zijn van de groep.3
De tegenhanger van dit model ziet de groep niet als een verzameling van individuen, maar als een 'collectieve eenheid', een `entiteit'4zoals ook een rechtspersoon, een gemeente of een vakbondsorganisatie dat is.5 Volgens dit model6 dienen de leden deel te blijven uitmaken van de groep 'in goede en in slechte tijden'. Dat betekent niet dat de afzonderlijke leden niet het recht hebben om individueel advies in te winnen of zich te bemoeien met het verloop van de procedure. Hun autonomie ofwel zelfbeschikkingsrecht wordt echter aanzienlijk beperkt ten aanzien van de keuze om zich al dan niet van de groep te distantiëren en zich door een advocaat naar eigen keuze te laten vertegenwoordigen.
Men zou in plaats van het consolidatie- en het entiteitmodel ook kunnen spreken van het partijautonomiemodel en van het collectiviteitsmodel, maar behalve dat deze termen politiek geladen en daardoor misleidend kunnen zijn,7 dekken ze niet helemaal de lading. Dat wordt inzichtelijk gemaakt door de 'middelste' ofwel de 'bemiddelende' stroming die ik kort zal aanstippen, maar verder, zoals eerder aangekondigd omwille van de helderheid, buiten beschouwing zal laten. Deze stroming stelt dat er sprake is van een valse tegenstelling, omdat groepsvorming in het proces via mechanismen zoals class action in werkelijkheid de meest intelligente manier is om individuele rechtvaardigheid: het einddoel van partijautonomie, te promoten.8 Deze stroming9 ziet de vorming van collectiviteit met andere woorden, als middel dat de waarden helpt realiseren waar partijautonomie voor staat.