Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/V.2.4
V.2.4 Privaatrecht
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460384:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat een bestuursrechtelijk voorschrift ook onderdeel uitmaakt van het privaatrechtelijke normenkader, betekent niet dat altijd de bevoegdheid bestaat om het voorschrift privaatrechtelijk te handhaven. Zie in par. V.4.4.2 mijn kanttekening over de tweewegenleer.
Zie par. IV.5.3.2 over de verhouding van de verschillende onrechtmatigheidsgronden, zie par. IV.5.3.5.
Of een gedraging gevaarzettend is, kan worden beoordeeld aan de hand van de welbekende ‘Kelderluiktoets’ uit HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136, m.nt. Scholten (Kelderluik). Zie uitvoerig hieromtrent par. IV.5.3.4 onder het kopje ‘Gevaarzetting’.
Dit komt nader aan bod in par. IV.5.3.4.
Net als in het strafrecht, komen veel milieunormen het privaatrecht binnen via een ‘doorgeefluik’. Anders dan in het strafrecht, kent het privaatrecht geen limitatieve opsomming van milieuvoorschriften: het privaatrechtelijke deurbeleid voor milieunormen is niet vastomlijnd en aanzienlijk ruimer dan dat van het strafrecht. In artikel 6:162 lid 2 BW worden drie algemene grondslagen genoemd voor een onrechtmatige daad: 1) een inbreuk op een recht, 2) strijd met een wettelijke plicht, en 3) strijd met ‘hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’.1 Voor de beoordeling van privaatrechtelijke aansprakelijkheid voor bedrijfsmatige milieuverontreiniging kan elk van deze onrechtmatigheidsgronden van betekenis zijn. Op alle drie ga ik kort in.
Allereerst kunnen milieuverplichtingen voortvloeien uit subjectieve rechten. Bijvoorbeeld, als binnen een bedrijf afval onjuist wordt opgeslagen, met verontreiniging van het naburige erf tot gevolg, dan kan er sprake zijn van inbreuk op het eigendomsrecht van de buurman. Absolute rechten zoals eigendomsrechten kunnen jegens iedereen worden gehandhaafd, dus in beginsel ook jegens leidinggevenden van ondernemingen die in hoedanigheid handelen. De onrechtmatigheidsgrond ‘inbreuk op een recht’ wordt in de praktijk zelden gebruikt, omdat subjectieve rechten geen duidelijke gedragsnorm bevatten waaraan de milieubelastende gebeurtenis kan worden getoetst waardoor voor het onrechtmatigheidsoordeel toch nog (aanvullend) wordt gekeken naar een andere grondslag.
De tweede categorie die wordt genoemd in artikel 6:162 lid 2 BW is heel breed. De onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ omvat namelijk alle (milieu) verplichtingen die gelden krachtens de wet. Dus niet alleen de overtreding van een wet in formele zin, zoals de Wet milieubeheer of het Wetboek van Strafrecht (en na de inwerkingtreding ervan: de Omgevingswet), maar bijvoorbeeld ook een overtreding van wetten in materiële zin, zoals milieuregels uit plaatselijke verordeningen en verplichtingen die voortvloeien uit een milieuvergunning. Oftewel: alle voornoemde milieuvoorschriften uit het bestuursrecht en het strafrecht kunnen in beginsel2 ook privaatrechtelijk worden gehandhaafd.
De onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ speelt een belangrijke rol in het privaatrechtelijke hoofdstuk. De milieurelevante activiteiten van bedrijven zijn namelijk sterk gereguleerd: voor bijna iedere situatie waarin een onderneming (zonder toestemming of daartoe strekkende vergunning) milieuschade veroorzaakt, bestaat een bijbehorende milieunorm.3 Ook voor de privaatrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden is een belangrijke rol weggelegd voor inrichtinggerelateerde voorschriften.
Ten slotte kan ook het ‘ongeschreven recht’ milieunormen voor ondernemingen bevatten. Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen kunnen overlappen met de andere onrechtmatigheidscategorieën. Bijvoorbeeld: het opzettelijk in de bodem brengen van levensgevaarlijke stoffen, is niet alleen in strijd met een wettelijke plicht (art. 173a Sr) en met een subjectief recht (2 EVRM), maar ook gevaarzettend4 en daarom in strijd met het ongeschreven recht. Als een situatie niet wordt gedekt door de wet of door een subjectief recht, kunnen de omstandigheden van het geval in uitzonderlijke gevallen toch aanleiding geven voor het oordeel dat de milieuaantasting in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid.5