Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/1.1
1.1 Algemeen
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS443625:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 7 februari 1935, Stb. 1935, 41.
Wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 445 in werking getreden op 1 december 1998.
Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615 in werking getreden op 15 januari 2005.
Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 192 in werking getreden op 1 januari 2008.
Zie o.m. Couwenberg, Kortmann, Faber, De efficiëntie van de Faillissementswet, Onderzoekcentrum Onderneming & Recht, 2001; Boot en Ligterink, De efficiëntie van de Nederlandse Faillissementswetgeving, Amsterdam Center for Corporate Finance, Amsterdam; Oosthout, De doorstart van een insolvente onderneming, 1998; Vos, diss. (2003), Kredietopvraging en insolventierisico, overlevingskansen van bedrijven in financiële moeilijkheden en de Faillissementswet; Van Amsterdam, (diss. 2004), Insolventie in economisch perspectief en Luttikhuis (diss. 2007), Corporate recovery; de weg naar effectief insolventierecht.
Hiermee doelend op zowel een natuurlijk persoon als een onderneming.
Commissie Insolventierecht, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 3 april 2003, Stcrt. 2003, 76.
De artt. 7.1.1 e.v. voorontwerp Insolventiewet.
Adriaanse en Kuijl, Succesfactoren informele reorganisatie: samenwerking, transparantie en stilte, MAB 2005, p. 303 e.v.
Adriaanse en Kuijl, Succesfactoren informele reorganisatie: samenwerking, transparantie en stilte, MAB 2005, p. 308.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-1V, p. 336 en 337.
Dit boek heeft als onderwerp het akkoord in de Faillissementswet. De huidige Faillissementswet kent drie procedures, te weten: faillissement, surseance van betaling en de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Elk van de hiervoor genoemde procedures kent een eigen akkoordregeling.1 De regeling van het akkoord in faillissement is van de drie de oudste en het akkoord in surseance is daar nagenoeg een kopie van. Het akkoord in de schuldsaneringsregeling is van jongste datum en hoewel de regeling eveneens is gebaseerd op het akkoord in faillissement, kent dit akkoord sinds zijn ontstaan een aantal noviteiten ten opzichte van de akkoorden in faillissement en surseance. In de afgelopen jaren zijn de drie regelingen door wetswijzigingen nader naar elkaar toegegroeid.
De Faillissementswet van 1893, die in 1896 in werking is getreden, heeft in de loop van de vorige eeuw verschillende wijzigingen ondergaan. Ik noem er hier een aantal die voor het akkoord van belang zijn geweest. De eerste belangrijke wetswijziging is die van 1935, waarin de mogelijkheid van het dwangakkoord in de surseance van betaling werd geopend.2 Vervolgens werd in 1998 aan de Faillissementswet een geheel nieuwe titel (titel III) toegevoegd inzake de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, waarin ook een akkoordregeling is opgenomen.3 In 2005 zijn de bepalingen over het aannemen van een akkoord voor faillissement en surseance versoepeld en zijn de artt. 145 en 268 Fw aangepast aan de regeling in de schuldsaneringsregeling.4 Ten slotte is met ingang van 1 januari 2008, art. 287a Fw toegevoegd aan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.5 Art. 287a Fw kan worden gezien als een codificatie van rechtspraak inzake het veroordelen van een weigerachtige schuldeiser tot het verlenen van medewerking aan een buitengerechtelijke regeling. Hoewel we hier te maken hebben met een overeenkomst die buiten de wettelijke kaders van de Faillissementswet kan worden gesloten, heeft de invoering van art. 287a Fw, gezien de mate van verwantschap aan een wettelijk akkoord en omdat met het succesvol doorlopen van het minnelijke traject het gebruik van het wettelijke instrumentarium kan worden voorkomen, een zekere invloed op de totstandkoming van wettelijke akkoorden. Hoewel in dit boek het akkoord in de Faillissementswet centraal staat, zal niettemin in hoofdstuk 8 aandacht worden besteed aan de buitengerechtelijke regeling.
Het akkoord kan worden beschouwd als een saneringsinstrument. Met het akkoord wordt beoogd de financiële positie van de schuldenaar te saneren. De sanering vindt plaats via de passivazijde van de balans van de schuldenaar door middel van het reduceren van vorderingen van concurrente schuldeisers. Gezien de functie van het akkoord kan het onder meer worden ingezet bij reorganisaties van ondernemingen. Om het gebruik, de inzetbaarheid en de gevolgen van het akkoord goed te kunnen doorgronden, wordt in dit boek ook een korte uiteenzetting gegeven van de belangrijkste andere saneringsinstrumenten die ons insolventierecht kent.
Met name het laatste decennium is vanuit diverse disciplines veel aandacht getoond en gevraagd voor schuldsanering en reorganisatie al dan niet via de minnelijke, informele weg.6 De informele reorganisatie is een traject dat zich afspeelt buiten de formele kaders van de Faillissementswet, maar dient evenwel eenzelfde doel, namelijk het herstellen van de gezondheid van een schuldenaar7 in financiële moeilijkheden. Het informele traject kenmerkt zich door de relatieve stilte en beslotenheid waarin de reorganisatie kan plaatsvinden, hierbij niet gehinderd door dwingendrechtelijke regels. De wet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen die op 1 december 1998 in werking is getreden, is onder meer een uitvloeisel van de vraag minnelijke regelingen te bevorderen. Ook met het op 1 januari 2008 ingevoerde art. 287a Fw wordt beoogd het minnelijke traject te versterken. In het op 1 november 2007 door de commissie Insolventierecht8 aan de minister van justitie aangeboden voorontwerp Insolventiewet, wordt eveneens veel nadruk gelegd op informele reorganisatie en het minnelijke traject. De introductie van het akkoord buiten insolventie in het voorontwerp Insolventiewet is hiervoor illustratief.9 De vraag is echter of versterking van het minnelijke traject met wettelijke instrumenten de oplossing is voor de problemen waarmee in het bijzonder de praktijk van de schuldhulpverlening zich geconfronteerd ziet. Uit onderzoek10 blijkt dat bij de meeste schuldeisers de bereidheid bestaat medewerking te verlenen aan een buitengerechtelijke regeling, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo verlangen schuldeisers dat de schuldenaar volledige openheid van zaken geeft, een helder saneringsplan aan hen voorlegt en een acceptabele buitengerechtelijke regeling aanbiedt.11 Deze voorwaarden zijn overigens terug te vinden in de rechtspraak ten aanzien van de vraag of een schuldeiser zijn medewerking aan een buitengerechtelijke regeling heeft kunnen onthouden. De vraag is derhalve of het schuldeisers kan worden verweten, indien zij hun medewerking weigeren te verlenen aan een buitengerechtelijke regeling. Bedacht dient te worden dat met de gedwongen gebondenheid aan een buitengerechtelijke regeling, de betreffende schuldeiser buiten spel is komen te staan. Immers, na de doorgevoerde financiële reorganisatie zal de onderneming weer gesaneerd worden voortgezet. De eventuele waardestijging van de onderneming zal slechts terecht komen bij de ondernemer en niet bij de weigerachtige schuldeisers). Daarnaast kan de vraag worden gesteld of het redelijk en rechtvaardig is dat schuldeisers door een buitengerechtelijke regeling als het ware de financiële lasten dragen ten gunste van de schuldenaar/ondernemer. De schuldenproblematiek van natuurlijke personen en van ondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeren, zijn maatschappelijke problemen die thans slechts via de hoofden van de gewone schuldeisers worden opgelost. Het voorontwerp Insolventiewet voorziet overigens in een versterking van de positie van concurrente schuldeisers door onder meer ook preferente schuldeisers aan het akkoord te binden en het verminderen van boedelvorderingen.
Overigens dient te worden opgemerkt dat de wetgever het akkoord reeds in 1893 als saneringsinstrument in het wettelijke systeem van de Faillissementswet heeft opgenomen. De wetgever heeft toen een regeling opgesteld, waarvan we nu nog steeds kunnen zeggen dat zij de tand des tijds goed heeft doorstaan. Immers, de regelingen van akkoorden die nadien het licht hebben gezien, zijn alle in hoge mate gebaseerd op de regeling van het akkoord in faillissement. Ook de commissie Insolventierecht heeft bij het opstellen van de regelingen van het akkoord binnen en buiten insolventie, de regeling van het akkoord in faillissement voor een belangrijk deel overgenomen.12
In dit boek staat het akkoord in de Faillissementswet centraal. Er zal uitvoerig worden ingegaan op het rechtskarakter, de totstandkoming en de inhoud van een akkoord. Daarnaast zal aandacht worden besteed aan de rechtsgevolgen van een gehomologeerd akkoord en zal worden onderzocht of een gehomologeerd akkoord kan worden aangetast. De hiervoor genoemde recente ontwikkelingen zullen tegen de achtergrond van de akkoorden in de Faillissementswet worden besproken.