Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.4.1
4.4.1 Eén handeling of meerdere handelingen?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291095:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 25 februari 1999, zaak C-349/96, BNB 1999/224, m.nt. Van Hilten, r.o. 29 en 30 (CPP). Hierbij moet worden aangetekend dat het Hof van Justitie dit onderscheid niet consequent toepast en de ‘bijkomende prestatie-variant’ soms ook aanmerkt als een vorm van een onsplitsbare handeling (conclusie A-G Van Hilten 6 september 2011, nr. 10/03633, BNB 2013/3 punt 5.11).
HvJ EG 25 februari 1999, zaak C-349/96, BNB 1999/224, m.nt. Van Hilten, r.o. 30 (CPP).
Zie bijv. HvJ EU 18 januari 2018, zaak C-463/16, BNB 2018/119, m.nt. Merkx, r.o. 23 (Stadion Amsterdam).
HR 17 augustus 2018, nr. 16/05128, BNB 2018/192, m.nt. Hummel, r.o. 2.3.3. Vgl. HvJ EU 2 december 2010, zaak C-276/09, NTFR 2010/2884, met commentaar Sanders, r.o. 27 (Everything Everywhere) en HvJ EU 26 mei 2016, zaak C-607/14, V-N 2016/32.17, r.o. 24 (Bookit).
HR 13 oktober 2017, nr. 15/05195, BNB 2018/20, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 2.3.3.
HR 17 augustus 2018, nr. 16/05128, BNB 2018/192, m.nt. Hummel, r.o. 2.3.3.
HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-224/11, V-N 2013/18.16, r.o. 43 en 44 (BGŻ Leasing) en HR 17 augustus 2018, nr. 16/05128, BNB 2018/192, m.nt. Hummel, r.o. 2.3.3.
HvJ EG 25 februari 1999, zaak C-349/96, BNB 1999/224, m.nt. Van Hilten, r.o. 31 (CPP).
HvJ EG 11 juni 2009, zaak C-572/07, V-N 2009/29.17, r.o. 23 (Tellmer Property), HvJ EU 17 januari 2013, zaak C-224/11, V-N 2013/18.16, r.o. 44 (BGŻ Leasing) en HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 37 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
Uit art. 2 lid 1, onderdelen a en d Btw-richtlijn volgt dat een vastgoedtransactie een levering is of een dienst. Meer smaken zijn er niet. Dit lijkt eenvoudig, maar schijn bedriegt. Een vastgoedtransactie kan namelijk bestaan uit meerdere elementen of gepaard gaat met één of meerdere andere handelingen (de zogenoemde ‘nevenprestatie(s)’). Voor deze situatie zal, zoals in paragraaf 4.1 is aangegeven de term ‘samengestelde vastgoedtransactie’ gebruikt worden. Bij een samengestelde vastgoedtransactie geldt als uitgangspunt dat elke handeling voor de btw-heffing afzonderlijk in aanmerking moet worden genomen. Op deze regel zijn in de jurisprudentie twee uitzonderingen geformuleerd:
verschillende handelingen of elementen van een handeling zijn zo nauw met elkaar verbonden dat zij objectief gezien één ondeelbare economische handeling vormen waarvan splitsing kunstmatig zou zijn (een handeling sui generis);
één of meer elementen van een handeling vormen de hoofdprestatie, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meerdere bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen.1
Het is aan de nationale (feiten)rechter om aan de hand van de omstandigheden van het geval vast te stellen of sprake is van één of meerdere handelingen. Niettemin zijn in de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad wel aanwijzingen te vinden voor deze beoordeling. Een prestatie moet volgens het Hof van Justitie met name als bijkomend worden aangemerkt wanneer zij voor de modale afnemer geen doel op zich is, maar een middel om de hoofdprestatie zo aantrekkelijk mogelijk te maken.2 In andere arresten spreekt het Hof van Justitie in dit verband ook wel van een bijkomende prestatie indien zij een middel is om van de hoofdprestatie(s) optimaal gebruik te kunnen maken.3 Heeft een nevenprestatie van een vastgoedtransactie voor de modale afnemer geen afzonderlijk belang ten opzichte van de vastgoedtransactie, dan is dat een aanwijzing dat de nevenprestatie bijkomend is.4 Indien binnen de kring van de afnemers het belang van de nevenprestatie bij de vastgoedtransactie onderling verschilt, dan is dat een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende nevenprestatie5 en evenmin van één enkele, samengestelde handeling6. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat voor de nevenprestatie een afzonderlijke vergoeding wordt berekend en de omstandigheid dat de afnemer van de vastgoedtransactie een keuze heeft om de nevenprestatie al dan niet af te nemen.7 Het berekenen van één prijs is niet doorslaggevend8, maar wel een aanwijzing dat sprake is van één handeling. Omgekeerd geldt dat een afzonderlijke tarifering en facturering een aanwijzing vormt dat sprake is van afzonderlijke handelingen.9
In de hiernavolgende paragrafen wordt kort ingegaan op (het belang van) de vraag of bij een samengestelde vastgoedtransactie (paragraaf 4.4.2) of een geïntegreerd contract in de bouwsector (paragraaf 4.4.3) voor de btw één of meerdere handelingen worden verricht en hoe deze handeling(en) moet(en) worden gekwalificeerd.