Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.3.3.a
VII.3.3.3.a De inschrijvingsplicht
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2011/70 m.nt. Groffen (Staalbankiers). Hoewel het in deze zaak ging over een BV, wordt algemeen aangenomen dat hetzelfde geldt voor een NV. Zie in deze zin onder anderen Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/120; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 27.2, p. 471; en Bulten 2012, p. 24.
HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167; JOR 2011/70 (Staalbankiers). De Hoge Raad volgde de conclusie van A-G Vlas niet. De A-G was van oordeel dat de wetsbepaling niet buiten toepassing kon worden gelaten. Zie A-G Vlas in zijn conclusie bij HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167; JOR 2011/70 (Staalbankiers).
Zie HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167; JOR 2011/70 (Staalbankiers) en in dezelfde lijn Hof ’s-Hertogenbosch 7 december 2010, JOR 2011/71 m.nt. Groffen (Murene/Engelen).
Idem Bulten 2012, p. 25.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 15-16 (NV).
Bulten 2012, p. 25.
Zie HR 28 januari 2011, NJ 2011, 167; JOR 2011/70, r.o. 3.2.3.c en 3.10 (Staalbankiers) Deze opvatting lijkt ook het Hof ’s-Hertogenbosch 7 december 2010, JOR 2011/71 (Murene/Engelen) te zijn toegedaan. Het hof wees de vorderingen ex art. 2:180 lid 2 aanhef en sub a BW (oud, thans art. 2:180 lid 2 BW) jegens alle bestuurders af, omdat aan “de ratio van de verplichting tot opgave” was voldaan.
In beginsel, want de redelijkheid en billijkheid kunnen onder omstandigheden wél een correctie aanbrengen op de aansprakelijkheid van individuele bestuurders, zoals opvolgend bestuurders. Zie ook § VII.3.3.3.b.
Croiset van Uchelen, TOP 2014/242. Zie over de onderlinge draagplicht in een one tier board Schuijling & Kortmann 2017, p. 411.
De Hoge Raad aanvaardde in het arrest Staalbankiers een uitzondering op de aansprakelijkheid van bestuurders wegens het niet voldoen aan de inschrijvingsplicht.1 Omdat de bepaling niet van openbare orde is, kan in bepaalde gevallen met succes een beroep worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Aan de motivering van het rechterlijk oordeel moeten dan wel hoge eisen worden gesteld, aldus ons hoogste rechtscollege. In Staalbankiers kon het beroep op art. 2:180 lid 2 aanhef en sub a (oud) BW de toets van de derogerende redelijkheid en billijkheid niet doorstaan. De wetenschap van de ‘nauw verbonden’ wederpartij van de vennootschap speelde hierbij een belangrijke rol.2
In het tijdvak tussen de oprichting van EDG Beheer BV (hierna: EDG Beheer) en de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister, sloten Staalbankiers en EDG Beheer een kredietovereenkomst. Na het ondertekenen van de kredietovereenkomst gaf de bank de notaris toestemming het krediet direct aan EDG Beheer ter beschikking te stellen. Deze handelwijze week af van de in de kredietovereenkomst standaard opgenomen voorwaarde dat het krediet pas ter beschikking wordt gesteld nadat een uittreksel uit het handelsregister is ontvangen. Staalbankiers wist dat de vennootschap was opgericht op het moment dat het krediet ter beschikking werd gesteld. De bank was namelijk vanwege de aandelen-financieringstransactie ‘nauw betrokken’ bij de BV. Ook wist de bank als nauw betrokken derde volgens de Hoge Raad dat de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister op dat moment ‘bezwaarlijk reeds kon zijn gedaan’. De opgave van de eerste inschrijving in het handelsregister geschiedde uiteindelijk twee dagen na het ter beschikking stellen van het krediet.
Als de vennootschap nog geen twee jaar na haar oprichting failleert, doet de bank een beroep op art. 2:180 lid 2 aanhef en sub a BW (oud, thans art. 2:180 lid 2 BW). De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op deze bepaling in beginsel ook kan worden gedaan door een partij die weet dat de inschrijvingsplicht niet is nageleefd, omdat deze bepaling mede strekt ter bescherming van het algemene belang dat is betrokken bij de naleving van de inschrijvingsplicht. Maar gelet op de omstandigheden van het geval, trof de bestuurder van EDG Beheer in zijn verhouding tot Staalbankiers ‘niet of nauwelijks enig verwijt’. Het beroep op art. 2:180 lid 2 BW slaagde in dit geval dus niet.
Er is kortom onder omstandigheden ruimte om op grond van de redelijkheid en billijkheid een correctie op de aansprakelijkheid van de bestuurders aan te brengen.3 Dit geldt mijns inziens evenzeer wanneer de vennootschap heeft gekozen voor het monistische bestuursmodel.4
Zoals ik hiervoor al schreef, betreft het inschrijven van de vennootschap in het handelsregister een typisch uitvoerende taak. Desondanks blijft de verantwoordelijkheid bij alle bestuurders liggen.5 De vraag komt op of een beroep op de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder ex art. 2:69 lid 2 aanhef en sub a BW of art. 2:180 lid 2 BW in verband met de taakverdeling in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan worden geacht. Bulten meent van wel. Weet de ‘nauw verbonden derde’ dat de vennootschap het monistische bestuursmodel invoert en dat de niet-uitvoerende bestuurders slechts de toezichthoudende taak toebedeeld krijgen, dan brengt die wetenschap volgens haar mee dat een beroep op de aansprakelijkheidsgrondslag ten aanzien van de niet-uitvoerende bestuurders al snel in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid. Dat de inschrijving in het handelsregister een uitvoerende taak is waarvoor de uitvoerende bestuurders primair verantwoordelijkheid dragen, beschouwt zij als een bijkomend argument voor haar standpunt.6
Ik kan mij niet in de opvatting van Bulten vinden. Uit de overwegingen die aan het oordeel van de Hoge Raad in Staalbankiers ten grondslag liggen, leid ik af dat de redelijkheid en billijkheid in beginsel slechts aan het vestigen van collectieve aansprakelijkheid van de bestuurders in de weg kunnen staan.7 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan in andere bewoordingen een correctie aanbrengen op de aansprakelijkheid van alle bestuurders, maar in beginsel niet op de aansprakelijkheid van een individueel bestuurslid.8 Dat is – gelet op de ratio van de inschrijvingsplicht – ook logisch. Zoals ik hiervoor al schreef, rust de verantwoordelijkheid voor de inschrijving in het handelsregister op alle bestuurders. Ook de niet-uitvoerende bestuurder is mijns inziens bevoegd de vennootschap, vergezeld van de neer te leggen afschriften, te doen inschrijven in het handelsregister. Omdat het inschrijven een uitvoerende taak bij uitstek is, zal zij in de praktijk niettemin veelal op het bordje van een uitvoerend bestuurder liggen. Ook is goed denkbaar dat de notaris daar zorg voor draagt. Verzuimt de uitvoerende bestuurder of de notaris aan de inschrijvingsplicht te voldoen en komt de niet-uitvoerende bestuurder daar achter, dan moet hij zorgen dat alsnog aan de verplichting wordt voldaan. Hij kan bijvoorbeeld zelf tot inschrijving overgaan. Dat de niet-uitvoerende bestuurder mogelijk niet vertegenwoordigingsbevoegd is, staat daar zoals gezegd niet aan in de weg. Voldoet de niet-uitvoerende bestuurder niet zelf aan de verplichting en zet hij een medebestuurder daar ook niet toe aan, dan kan hij daar mijns inziens net als alle andere bestuurders voor worden aangesproken. De taakverdeling speelt in dit kader dus geen rol. Zij heeft volgens mij slechts invloed op de onderlinge draagplicht van de bestuurders. Omdat de inschrijving een uitvoerende taak is, meen ik in navolging van Croiset van Uchelen dat de niet-uitvoerende bestuurders regres kunnen nemen op de uitvoerende bestuurders.9