Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/2.3.3
2.3.3 Professionele autonomie van de leraar
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949426:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mackor 2011a, p. 143.
Onderwijsraad 2018, p. 15/16.
Onderwijsraad 2018, p. 17.
Met de leerling wordt zowel de leerling in het primair en voortgezet onderwijs bedoeld als de student in het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs.
Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 31 293, nr. 615, p. 1 (Nationaal onderwijsakkoord 2022 getiteld: Het Onderwijsakkoord, Samen voor het beste onderwijs).
Onderwijsraad, Ruim baan voor de leraar, Den Haag 2018, p. 15/16.
F.H.J.G. Brekelmans en M. van Es, ‘Wetsvoorstel ‘Lerarenregister’, professionals governance en professionele standaard’, NTOR 2016, nr. 2, p. 102
Zie over het Lerarencollectief: https://lerarencollectief.nl/leidende-principes/over-ons/ [geraadpleegd op 1 oktober 2022].
Lerarencollectief, Het Lerarencollectief stopt!, raadpleegbaar via: https://lerarencollectief.nl/het-lerarencollectief-stopt/ [geraadpleegd op 24 juli 2023].
Hiervoor is uiteengezet welke kenmerken beroepen met professionele autonomie hebben. Om de professionele autonomie van een specifieke beroepsgroep te duiden, wordt gekeken naar de specifieke situatie waar het betreffende beroep in verkeert.1 Om voor de leraar te duiden of en in hoeverre aan hem en zijn beroepsgroep professionele autonomie toekomen, moeten dan ook de hiervoor genoemde kenmerken worden toegepast op zijn situatie.
Het eerste kenmerk van een beroep met professionele autonomie is dat de beroepsbeoefenaar beschikt over bepaalde kennis en expertise. Dat is bij de leraar het geval, hij is de vakdeskundige voor wat betreft het geven van onderwijs. De leraar heeft doorgaans een bachelor- of masteropleiding afgerond, daarmee beschikt hij over algemene kennis en vakkennis in het bijzonder. De Onderwijsraad schrijft dat hij daarnaast een brede basis van pedagogische en didactische kennis en vaardigheden moet hebben, dit is de kern van het lerarenberoep.2 Daarnaast dient de leraar te beschikken over gedegen kennis en goed ontwikkelde vaardigheden ten aanzien van het vakgebied dat hij geeft. Het is voor de kwaliteit van het onderwijs van belang dat hij boven de lesstof staat.3 Dit is nodig omdat de leraar in de praktijk voortdurend afwegingen moet maken, hij moet daartoe terug kunnen vallen op een breed repertoire van vakkennis en kunde. De Onderwijsraad maakt onderscheid tussen vakkennis en kennis over algemene didactiek. Beide kennistypen zijn nodig zodat een leraar een vak betekenisvol kan overbrengen op de leerling.4
De leraar heeft dan ook specifieke kennis en kunde die hij inzet bij het geven van onderwijs. Hiermee draagt hij bij aan een algemeen belang, namelijk het bieden van kwalitatief goed onderwijs aan de leerling. Op het belang dat de leraar met zijn autonomie dient, wordt dieper ingegaan in § 2.4. De leraar kan tevens voldoen aan het derde kenmerk van een beroep met professionele autonomie. Aangenomen kan worden dat de samenleving en de individuele cliënt, namelijk de leerling en zijn ouders, vertrouwen hebben in de leraar. Dit blijkt onder meer uit het Nationale Onderwijsakkoord 2022, waarin wordt beschreven dat vertrouwen in de capaciteiten en verantwoordelijkheden van de leraar van groot belang is om te komen tot de best presterende onderwijsstelsels ter wereld. De leraar maakt het verschil tussen “good” en “great” onderwijs.5 Dat de leraar vertrouwen geniet van zijn leerlingen is eveneens van groot belang. Dit draagt er aan bij dat hij hen kan aanmoedigen en motiveren om meer uit zichzelf te halen.6 Er is dan ook een grote mate van vertrouwen van zowel de samenleving als de leerling nodig in de kennis en kunde van de leraar zodat hij kwalitatief goed onderwijs kan aanbieden aan zijn leerlingen.
Het vierde en vijfde kenmerk van een beroep met professionele autonomie is een samenhangende beroepsgroep die autonomie uitoefent door het reguleren van de beroepsuitoefening van haar beroepsbeoefenaren. Zoals uitgebreider toegelicht wordt in § 3.4.7 ontstond in 2011 een beroepsorganisatie voor de leraar in de vorm van de Onderwijscoöperatie, die onder meer de taak had om een professionele standaard op te stellen.7 Daarmee was er een beroepsorganisatie van leraren ontstaan die de eigen beroepsuitoefening zou gaan reguleren. Evenwel bleek bij de totstandkoming van het lerarenregister dat leraren zich onvoldoende vertegenwoordigd voelden door deze organisatie. Individuele leraren konden geen lid worden, maar werden vertegenwoordigd door een aantal vakbonden. Dit gebrek aan vertegenwoordiging en dus legitimatie leidde na een crisis over het leiderschap van de Onderwijscoöperatie, uiteindelijk tot het opheffen van deze organisatie. In 2020 werd een nieuwe beroepsvereniging opgericht voor de leraar, genaamd het Lerarencollectief. Dit collectief richtte zich op het primair en voortgezet onderwijs.8 Het doel van het Lerarencollectief was om een sterke beroepsvereniging te worden die het vakmanschap van de leraar versterkt en daarmee bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs. Hierin werden de leraren gesteund door het ministerie van OCW.9 Dit collectief besloot zich echter in juni 2023 op te heffen vanwege “het ontbreken van financiële slagkracht, organisatorische stabiliteit en samenwerking met andere partijen vanuit de inhoud en erkenning op basis van kwaliteit.”10 Nu van een samenhangende beroepsgroep en uitoefening van autonomie door de beroepsgroep geen sprake is, oefenen leraren geen professionele autonomie uit. Dat neemt echter niet weg dat een individuele leraar of een team van leraren autonomie kan uitoefenen in de klas of in schoolverband.