Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.2.1:8.2.1 De vermogenstoestand in 1922
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.2.1
8.2.1 De vermogenstoestand in 1922
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180198:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wijziging van de bepalingen in het Wetboek van Koophandel betreffende de koopmansboeken en van de daarmede verband houdende bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Strafrecht, MvT, 25 mei 1921, W. 10718.
H.J.W. van der Poel, Twee verbeteringen in het Wetboek van Koophandel (koopmansboeken en makelaardij) (diss. Leiden), Aachen: La Ruelle’sche Accidenzdruckerei (inh. Jos. Deterre & Sohn) 1923, p. 34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de invoering van de term vermogenstoestand in 1922 beoogde de wetgever niet een totaal nieuw begrip te introduceren:1
“De verplichting tot aanteekening houden van den vermogenstoestand kan op het eerste oog nieuw schijnen. Men neme echter in aanmerking, dat de bestaande ruime, en zelfs ietwat pleonastische redactie boeking voorschrijft o.a. van ’s koopmans inschulden en schulden, zijne verbintenissen en in het algemeen, alles wat hij ontvangt en uitgeeft, van welken aard het ook zij. Hieronder vallen zonder twijfel reeds genoeg alle veranderingen in het vermogen en daardoor indirect ook de vermogenstoestand zelf. Bovendien veronderstelt de bestaande verplichting tot het opmaken van een jaarlijkschen staat en balans reeds het houden van aantekeningen, die den vermogenstoestand aangeven.”
Wat tot 1922 op grond van het toenmalige artikel 6 WvK expliciet behoorde tot hetgeen waarvan de koopman aantekening diende te houden, werd ook na de wijziging van artikel 6 WvK in 1922 geacht onder de (veranderingen in de) vermogenstoestand van de koopman te vallen.2 Na de invoering van het begrip vermogenstoestand in artikel 6 WvK in 1922 is in de parlementaire geschiedenis van dat artikel noch in de parlementaire geschiedenis van andere voor de civielrechtelijke administratieplicht relevante wetsartikelen aandacht besteed aan een wijziging van de betekenis van het begrip vermogenstoestand.
Het ligt voor het vaststellen van de huidige betekenis van het begrip vermogenstoestand in artikel 2:10 BW nog steeds voor de hand aansluiting te zoeken bij de bedoeling van de wetgever in 1922.
Met de gedetailleerde opsomming in artikel 6 WvK zoals deze vanaf 1838 luidde, had de wetgever het oog op alle vermogensbestanddelen van de koopman en de veranderingen die daarin optraden. Het aantal vermogensbestanddelen waarvan de wetgever uitging, was nog relatief beperkt, maar door de ruime formulering van de laatste bestanddelen in de opsomming (“en in het algemeen alles wat hij ontvangt en uitgeeft, van welken aard het ook zij”) is er feitelijk geen ruimte te betogen dat de koopman een deel van zijn vermogensbestanddelen buiten de omschrijving van artikel 6 WvK kon houden. Dat gold zowel voor 1922 als daarna.