Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/7.4.3
7.4.3 Bewijsvoering
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180373:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
H.J. van der Schroeff, ‘Aan welke eisen moet de administratie voldoen ter vervulling van haar functies in het bedrijf?’, Preadvies Accountantsdag, 6 October 1951, De Accountant, orgaan van het Nederlands Instituut van Accountants, 58e jaargang, nr. 1, september 1951, p. 9 en 10.
H.J. van der Schroeff, ‘Aan welke eisen moet de administratie voldoen ter vervulling van haar functies in het bedrijf?’, Preadvies Accountantsdag, 6 October 1951, De Accountant, orgaan van het Nederlands Instituut van Accountants, 58e jaargang, nr. 1, september 1951, p. 9.
Wet van den 23sten Maart 1826, inhoudende den tweeden titel van het eerste boek van het Wetboek van Koophandel, Stb. 1826, 19, artikel 6 van het Eerste Boek, Tweede Titel WvK is artikel 11 WvK.
Zie paragraaf 2.2.1.
In het verlengde van de administratie als geheugen van de onderneming, ligt de functie van bewijsmiddel.1 Voor het bijhouden van de mutaties in met name de vorderingen en schulden was het vanaf het ontstaan van de koopmansboekhoudingen gebruik dat de schuld door de schuldenaar in de boeken van de schuldeiser werd ingeschreven. Zodra de schuld was voldaan, werd deze doorgestreept in de boekhouding.2 Op deze wijze vormde de boekhouding het bewijs van het bestaan van vorderingen en schulden.
Dat de administratie ook een bewijsfunctie had, is ook terug te vinden in de tekst uit 1838 van de op artikel 6 WvK volgende artikelen. Artikel 11 WvK luidde als volgt:3 jaargang, nr. 1, september 1951, p. 8, N.J. Polak, Is een algemeene inrichtingsleer bestaanbaar?, Inleiding voor den veertienden accountantsdag van het Nederlandsch Instituut van Accountants op 30 september 1922, raadpleegbaar via https:// imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/ref/collection/nib/id/388, p. 9 e.v.
“[K]oopmansboeken rigtig gehouden, kunnen door den regter als bewijs worden aangenomen tusschen kooplieden, wegens zaken hunnen handel betreffende.”
Het was in de praktijk overigens nog niet eenvoudig om “rigtig” aan de vereisten van artikel 6 WvK te voldoen omdat die nogal gedetailleerde instructies gaf over de wijze waarop de koopmansboeken moesten worden bijgehouden.4