Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.1:5.8.1 Algemene opmerkingen inzake art. 2:11 BW en wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.8.1
5.8.1 Algemene opmerkingen inzake art. 2:11 BW en wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306116:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de wetsgeschiedenis en in de literatuur vindt men steun voor de opvatting dat art. 2:11 BW slechts betrekking heeft op wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid.1 Volgens de memorie van toelichting heeft art. 2:11 BW namelijk betrekking op de uit de wet voortvloeiende aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder.2 De Minister merkt in dit kader op dat prof. Honée stilstaat bij de vraag welke aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder ingevolge het (toen nog) voorgestelde art. 2:4a BW (thans art. 2:11 BW) tevens aansprakelijkheid oplevert van de bestuurders van die rechtspersoon. De Minister voegt daaraan toe dat hij met genoemde hoogleraar van mening is dat hier wordt gezien op de wettelijke aansprakelijkheid, niet op de contractuele aansprakelijkheid.3
Honée wijst op het feit dat art. 2:11 BW spreekt over de aansprakelijkheid “als bestuurder”. Dit duidt er volgens Honée op dat het uitsluitend gaat om de aansprakelijkheid die voortkomt uit wetsbepalingen die rechtstreeks betrekking hebben op de aansprakelijkheid van bestuurders ingevolge tekortkomingen in hun taakvervulling.4 Daarbij wijst hij op onder meer de artt. 2:9, 2:138/ 248 en 2:180 BW. Art. 2:11 BW geldt daarnaast tevens – aldus Honée – voor de aansprakelijkheid die de wet zelfstandig op bestuurders legt.5
Van Solinge en Nieuwe Weme merken op dat de aansprakelijkheid waar art. 2:11 BW over handelt de aansprakelijkheid als bestuurder betreft. Hun standpunt stemt overeen met de tekst van de wet. Genoemde schrijvers voegen daaraan toe dat de aansprakelijkheid voort dient te vloeien uit de uitoefening van het “bestuursambt” en dat de grondslag van de aansprakelijkheid niet relevant is. Ik deel het standpunt dat de aansprakelijkheid voort dient te vloeien uit de uitoefening van het bestuursambt. Met het standpunt dat de grondslag van de aansprakelijkheid niet relevant zou zijn, ben ik het echter niet of in elk geval slechts ten dele eens. Art. 2:11 BW heeft betrekking op wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Daarmee bedoel ik de wettelijke aansprakelijkheid voor handelen en/of nalaten in het kader van de bestuurlijke taakvervulling. Deze wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid is steeds gegrond op een tekortkoming in de uitoefening van de bestuurstaak. Op contractuele aansprakelijkheid heeft art. 2:11 BW mijns inziens geen betrekking. De grondslag van de aansprakelijkheid is derhalve – anders dan genoemde schrijvers stellen – wel degelijk relevant.