Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.3.1:IV.3.3.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.3.1
IV.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460304:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (concl. A-G Wesseling-van Gent), NJ 2015/21, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296, m.nt. Kroeze (Hezemans Air), r.o. 3.5.2. Dezelfde overweging is te lezen in het andere 5 september-arrest: HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals besproken in paragraaf IV.2.3, doet de Hoge Raad in recentere jurisprudentie niet langer rechtstreeks een beroep op artikel 2:9 BW om de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te rechtvaardigen. Toch blijft de Hoge Raad erbij dat voor de ‘aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen geval is’.1 Daarvoor geeft de Hoge Raad in het Hezemans Air-arrest twee argumenten:
“(..) Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door [1] de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en [2] door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.” [cursivering en toevoeging van nummering TRB]
Het tweede argument, dat ook wel bekend staat als het bange bestuurders-argument, komt hierna in paragraaf IV.3.4 aan bod. In deze paragraaf bespreek ik het eerste argument, inhoudende dat er ten opzichte van de wederpartij ‘primair sprake is van handelingen van de vennootschap’.
Waarom zou het handelen van de bestuurder primair moeten worden beschouwd als die van de rechtspersoon? In de literatuur zijn twee verschillende onderbouwingen te onderscheiden voor dit standpunt: de eerste heeft te maken met de toerekening aan de rechtspersoon, de tweede heeft betrekking op de adressering van de norm. Beide onderbouwingen komen hierna aan bod.