Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.7.1
2.7.1 Naoorlogse aandacht voor functioneren van grote ondernemingen
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS388244:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
E. Bloembergen, De Naamlooze Vennootschap in een tijd van ordening, diss. Utrecht 1943, Utrecht: H. de Vroede 1944. Het proefschrift van Bloembergen is later onder de aandacht gebracht en besproken door Slagter. Zie W.J. Slagter, ‘Het vennootschapsrecht tijdens de bezettingsjaren’, Ondernemingsrecht 2001, p. 17-21.
Bloembergen 1943, p. 101.
Ibid, p. 109.
Ibid, p. 195. Welke uitkomst Bloembergen voor de naoorlogse situatie voor ogen had, wordt uit zijn dissertatie niet duidelijk. Uit het feit dat hij (volgens Slagter 2001, noot 1) in 1945 bij het Militair Gezag is gaan werken – het dagelijks bestuur van de bevrijde delen van Nederland – mag wellicht worden afgeleid dat Bloembergen hierbij de situatie van een vrij Nederland voor ogen stond.
Bloembergen 1943, p. 200.
In deze zin bijvoorbeeld Zeylemaker 1946, p. 630-631, waarin hij onder meer wees op het feit dat de grote ondernemingen het land van “allerlei onmisbare goederen” voorzagen en aan een zeer groot aantal mensen in loondienst werk verschaften.
W.C.L. van der Grinten, De structuur der naamloze vennootschap, intreerede Tilburg 1951, Tilburg: Bergmans 1951 in C.J.H. Jansen, S.C.J.J. Kortmann & G. van Solinge (reds.), Verspreide geschriften van W.C.L. van der Grinten, Van der Heijden-reeks nr. 77, Deventer: Kluwer 2004, p. 325-334. Zie voor een overzicht van eerdere discussies Ph.A.N. Houwing & W.L. Haardt, Vennootschapsrecht en medenzeggenschap, preadviezen Vereeniging Handelsrecht 1950, Zwolle: Tjeenk Willink 1950.
Zie bijvoorbeeld Handboek Van der Grinten 1946, nr. 94.1: “Het bestuur van de moderne groot-onderneming heeft de belangen van duizenden arbeiders in handen, het beschikt over miljoenen, van werkelijke verantwoording van zijn daden aan een ander orgaan der N.V. is geen sprake.”
Ibid. In lijn met Van der Grinten’s benadering van de N.V. vanuit besloten verhoudingen overwoog hij in dezelfde paragraaf voorts: “Onze wet is niet geschreven voor dergelijke verhoudingen [bij de publieke N.V.]” en “Het vennootschappelijk karakter is bij de moderne publieke N.V. weinig sprekend. De doorsnee aandeelhouder gevoelt zich niet vennoot, nog minder ondernemer. De onderneming der N.V. is hem volkomen vreemd. Hem interesseert alleen de koers der aandeelen.”
Ibid.
P. Sanders, ‘Verantwoording van het bestuur in de publieke naamloze vennootschap’, in E.M. Meijers et al. (reds.), Rechtskundige opstellen aangeboden aan prof. R.P. Cleveringa, Zwolle: Tjeenk Willink 1952, p. 329-362.
Sanders 1952, p. 330-337.
Ibid, p. 338.
Ibid, p. 350-362.
Zoals hierboven uiteengezet was het idee dat een N.V. was gericht op het behalen van winst voor haar vennoten/aandeelhouders een algemeen aanvaard beginsel in het vennootschapsrecht. Bij Van der Heijden werd de N.V. nog gezien als een vehikel voor samenwerkende vennoten tot het drijven van een gezamenlijke onderneming. Dat de N.V. daarbij uitsluitend op de belangen van de gezamenlijke vennoten was gericht was zodanig vanzelfsprekend dat dit beginsel niet eens expliciet werd benoemd. De N.V. werd in de eerste plaats gezien als een ondernemingsvorm ten behoeve van haar gebruikers, zijnde de vennoten die via de N.V. deelnamen aan het rechtsverkeer. Als zodanig werd haar belangensfeer dan ook overwegend als een private aangelegenheid beschouwd.
Gedurende de bezettingsjaren was dit wezenlijk anders. De stand van het Nederlandse vennootschapsrecht tijdens de Duitse bezetting is kenbaar uit de dissertatie van Bloembergen uit 1943.1 In de nationaalsocialistische opvatting dienden private ondernemingen uiteindelijk ook op het algemeen welzijn te zijn gericht. Onder het Duitse Aktiengesetz betekende dit vol gens Bloembergen dat bestuurders van Duitse ondernemingen in feite volledig door de overheid waren geknecht: “Wanneer in deze tijd echter één ding vaststaat, dan is het wel de groote macht, die de staat over individu eele ondernemingen heeft verkregen. Wie een bedrijf moet leiden, zoals het gemeenschappelijk belang van volk en land dat vereischt, is, als men het scherp wil stellen, weinig meer dan een ambtenaar. Of dit algemeen belang, welker behartiging rechtsplicht is, werkelijk wordt gediend, kan trouwens alléén de staat beoordelen.”2 Bloembergen constateerde dat vanwege de actieve rol die de Nederlandse overheid naar Duits voorbeeld in de orga nisatie van het bedrijfsleven was gaan spelen via onder meer de bedrijfschappen en bedrijfsorganisaties ook de Nederlandse N.V. op termijn onvermijdelijk naar het Duitse model zou moeten opschuiven: “Zoolang de N.V. een individualistisch afgestemde rechtsvorm blijft, kan zij theoretisch niet goed dienen om van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie deel uit te maken. Daarvoor is noodig, dat het accent meer op het corporatieve element wordt gelegd, zooals dit in het AktG is geschied.”3 Wel veroorloofde Bloembergen zich reeds enkele voorstellen tot verbetering van het N.V.-recht voor de periode “na beëindiging van de huidige oorlog”.4 Hierbij overwoog hij dat het hem noodzakelijk voorkwam om voor de nabije toekomst de op dat moment geldende organisatie van het Nederlandse bedrijfsleven te handhaven, zij het met een gereduceerde invloed van overheidswege. Ook de rol van het algemeen belang moest in de vennootschappelijke verhoudingen worden gehandhaafd: “Het bestuur zal bij zijn handelingen zich er van bewust moeten zijn, dat zijn N.V. als corporatie mededraagster van het algemeen belang is, m.a.w. dat de N.V. een deel van een grooter geheel vormt. Zijn werkzaamheid moet er op gericht zijn de N.V. in deze hoedanigheid tot voorspoed en bloei te brengen. Het specifieke belang der aandeelhouders moet daarbij meer op de achtergrond worden geplaatst.”5
Na de Tweede Wereldoorlog kwam in het kader van de wederopbouw van de Nederlandse industrie de aandacht op het functioneren van grote ondernemingen te liggen. In het verlengde hiervan rees ook de vraag of het N.V.-recht in voldoende mate in de maatschappelijke behoeftes kon voorzien die voor de grote Nederlandse ondernemingen bestonden. Deze maatschappelijke behoeften waren op hun beurt weer een uitvloeisel van het besef dat de activiteiten van grote ondernemingen in het economisch en maatschappelijk verkeer niet alleen aan de belangen van de achterliggende aandeelhouders raakten, maar aan een breder geheel van belangen in de maatschappij.6 In deze context moest worden bezien of de N.V. binnen de kaders van het toenmalige vennootschapsrecht – dat immers conceptueel was gericht op het belang van enkel de gezamenlijke vennoten – op een zodanige wijze zou kunnen functioneren dat de bij de N.V. betrokken maatschappelijke belangen in voldoende mate zouden zijn geborgd.
Bij de concrete uitwerking van het hierboven weergegeven vraagstuk werd vooral aandacht besteed aan de belangen van werknemers. Reeds in 1951 wijdde Van der Grinten zijn Tilburgse intreerede grotendeels aan het vraagstuk of aan werknemers rechtstreekse zeggenschap in het bestel van formele bevoegdheden binnen de N.V. moest worden gegeven, een vraag die hij op dat moment nog ontkennend beantwoordde.7 Wel toonde Van der Grinten zich ervan bewust dat bij de grote publieke N.V.’s de belangen van vele werknemers waren betrokken en dat deze belangen vanwege een niet adequaat functioneren van de vennootschappelijke organisatie, in het bijzonder gebrekkig toezicht op het bestuur, in de verdrukking konden raken.8 Hij weet dit niet adequaat functioneren van het toezicht binnen de N.V. aan het feit dat de AVA bij publieke N.V.’s vanwege de geringe betrokkenheid van de individuele aandeelhouders doorgaans een “willoos object in handen van het bestuur” was.9 Als oplossing voor het gebrek aan tegenwicht tegen het bestuur binnen de publieke N.V.’s memoreerde Van der Grinten aan het belang in een “onafhankelijke pers, die de bestuursgestes bespreekt en zoo noodig becritiseert.”10 Zo zou via de pers ‘toezicht’ gehouden moeten worden op de wijze waarop de grote publieke N.V.’s met de buiten de vennootschap gelegen belangen (waaronder die van werknemers) omgingen.
In 1952 kwam Sanders tot dezelfde constatering over het niet adequaat functioneren van de AVA als tegengewicht in het vennootschappelijk bestel binnen de publieke N.V..11 Sanders overwoog dat de AVA bij publieke N.V.’s niet in staat was gebleken om in de praktijk de haar door de wetgever toebedachte controlerende rol ten opzichte van het bestuur te vervullen, met name vanwege het wijdverbreid gebruik van oligarchische constructies in de organisatie van de publieke N.V.’s.12 De oplossing die Sanders voor het opvullen van deze lacune in het toezicht bepleitte was niet het herstellen van de controlerende rol van de AVA – dit noemde hij het enkel terugzetten van de klok13 – maar in plaats daarvan het instellen van een vorm van toezicht van buitenaf op grote N.V.’s, uit te voeren door een publiekrechtelijke toezichthouder naar het voorbeeld van de Verzekeringskamer en de Amerikaanse Securities and Exchange Commission (SEC).14 Sanders zag voor deze externe toezichthouder, die hij aanduidde als de ‘Vennootschapskamer’, voornamelijk taken weggelegd op het gebied van toezicht op financiële verslaggeving en op toezicht op bepaalde openbaarheidsvereisten. Zo zou de interne toezichttaak van de AVA als het ware extern worden uitbesteed. Kennelijk had de AVA voor Sanders definitief afgedaan als geschikte controlerende instantie.