Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.1:12.9.1 ‘Partner’ van een natuurlijk persoon
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/12.9.1
12.9.1 ‘Partner’ van een natuurlijk persoon
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611428:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik stel voor om onderscheid te maken tussen het facilitaire begrip ‘partner’ en de term ‘verbonden persoon’ met een antiontgaansfunctie. Laatstgenoemde term omvat in mijn voorstel eveneens de partner van de belastingplichtige. Op basis van dit onderscheid zouden faciliteiten alleen voor een beperkte kring van partners kunnen gelden. Daarentegen zou in regelingen met een antimisbruikkarakter een ruimere kring van verbonden personen kunnen worden gehanteerd.
In dit verband meen ik dat ongehuwde samenwoners ook als ‘partner’ moeten kunnen worden aangemerkt. Ongehuwd samenwonen heeft een volwaardige plaats verworven naast het huwelijk en is niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Uit onderzoek blijkt een tendens dat paren veelal eerst ongehuwd samenwonen, om eventueel pas daarna te trouwen. Veel ongehuwd samenwonende paren hebben echter kennelijk niet de intentie om ooit te trouwen. Ongehuwd samenwonen kan daarom meer en meer worden beschouwd als een manier om vorm te geven aan een volwaardige relatie. Deze trend moet naar mijn mening ook fiscaal worden gevolgd. Uit demografisch onderzoek blijkt echter dat relaties van ongehuwde samenwoners minder stabiel kunnen zijn dan die van gehuwden: het risico van relatieontbinding is hoger bij ongehuwde samenwoners. In dit verband lijkt het optionele karakter van hun partnerschap daarom nog niet zo slecht. Bezien vanuit de facilitaire functie acht ik een dergelijke keuzemogelijkheid voor samenwoners ook niet bezwaarlijk. Echter, dit zou niet een jaarlijkse keuzemogelijkheid moeten zijn, zoals geldt op basis van de huidige regeling van art. 1.2 Wet IB 2001, maar een eenmalige keuze waarop slechts kan worden teruggekomen bij de beëindiging van de relatie.
Met inachtneming van het vorenstaande zou ik de contouren van het begrip ‘partner’ als volgt willen schetsen:
De echtgenoot, geregistreerde partner en de ‘ongehuwd samenlevende’, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een ‘gezamenlijke huishouding’ voert, worden als ‘partner’ aangemerkt.
De keuzemogelijkheid voor ongehuwde partners is eenmalig: herziening van de keuze is slechts mogelijk bij beëindiging van de relatie.
De keuzemogelijkheid is bovendien afhankelijk van nadere voorwaarden, zoals meerderjarigheid, het voeren van een ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 26 paragraaf 2 lid 3 Leidraad INV 1990 en inschrijving op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie.
Dit partnerbegrip heeft een facilitaire functie en kan niet alleen dienen in de Wet IB 2001, maar ook in andere belastingwetten zoals de Wet LB 1964 en de WBR.