Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.7.1:6.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.7.1
6.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450427:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de huidig geldende EU- en nationale wetgeving en het Europees Verdrag inzake bescherming van slachtdieren van de Raad van Europa kan worden geconcludeerd dat de onbedwelmde rituele slacht wordt gedefinieerd als een godsdienstige gedraging die valt onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst, zoals die is opgenomen in artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet. In deze wetgeving en het verdrag is de betekenis van rituele slacht niet beperkt tot de joodse en islamitische rite. De uitzonderingsbepalingen ten aanzien van het verbod op de onbedwelmde slacht gelden in beginsel ook voor slachtriten van andere godsdiensten. De EU-, de nationale wetgever en de Raad van Europa houden principieel rekening met de religieuze opvattingen van de justitiabele en beperken het begrip van rituele slacht niet tot de bekende religieuze tradities waarin religieuze slacht voorkomt. Voor wat betreft de EU- en nationale wetgever kan gesteld worden dat ze in beginsel een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst hanteren.
Wanneer wordt teruggeblikt op het verleden van de onbedwelmde rituele slacht in Nederland kan worden geconstateerd dat reeds in 1920 ten aanzien van het verbod op onbedwelmde slacht een uitzondering werd gemaakt ten aanzien van de Israëlitische ritus. Reeds lang wordt deze ritus in verband met de vrijheid van godsdienst begrepen. Vanaf de jaren tachtig gebeurt dit expliciet in parlementaire stukken. Overigens werd de islamitische ritus pas vanaf de jaren zeventig gezien als een godsdienstige gedraging gelijk aan de joodse ritus. In 1977 wordt naast de bestaande uitzondering voor de Israëlitische ritus een uitzondering voor de islamitische ritus in de wet opgenomen. De conclusie kan worden getrokken dat de wetgever ten aanzien van rituele slacht een ontwikkeling heeft doorgemaakt in het definiëren ervan. Waar de wetgever voor de jaren ’70 van de vorige eeuw een objectief begrip van rituele slacht hanteerde dat beperkt was tot het jodendom, gaat hij vanaf eind jaren ‘70 van de vorige eeuw het jodendom en de islam gelijk behandelen. Ten slotte zien we dat in de huidige context de rituele slacht niet enkel is voorbehouden aan joden en moslims maar dat de wetgever in zijn formuleringen principieel ruimte openlaat voor andere religies en daarmee blijk geeft van een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst.
In het parlementaire debat naar aanleiding van het wetsvoorstel Thieme speelt de uitleg van rituele slacht een belangrijke rol. De opvatting van Thieme dat het niet bedwelmen bij rituele slacht geen aspect is dat kan worden gekwalificeerd als een uitdrukkelijke expressie van godsdienst lijkt een eigen opvatting te zijn van Thieme. Ze lijkt de oorsprong van de rituele slacht binnen de religieuze tradities te hebben geïnterpreteerd en vervolgens tot de conclusie te zijn gekomen dat ze van origine dienden ten behoeve van het dierenwelzijn. Vervolgens redeneert zij dat in het licht van de huidige technologische inzichten en ontwikkelingen het dierenwelzijn meer gebaat zou zijn met een verbod op onbedwelmd ritueel slachten en het aanwenden van alternatieve slachttechnieken. Deze benadering duidt op een meer autonome uitleg van het begrip godsdienst. Thieme lijkt op grond van haar eigen inzichten tot de conclusie te zijn gekomen dat het niet willen verdoven geen uitdrukkelijke expressie is van godsdienst.
Het Nederlandse kabinet sluit in 2012 een convenant (uitgewerkt en vastgelegd in een AMvB) exclusief met vertegenwoordigers van de joodse en islamitische gemeenschap. Dit wekt de indruk dat de betekenis van rituele slacht in lagere regelgeving enigszins wordt geobjectiveerd als uiting van de gevestigde religieuze gemeenschappen. Ook in de terminologie die de Raad van Europa gebruikt naar aanleiding van het genoemde verdrag kunnen we een zekere objectivering ontwaren doordat de Raad eenzijdig ervan uit gaat dat ritueel slachten een gedraging is die wordt verricht binnen een geloofsgemeenschap. Niet de enkeling kan voor zichzelf besluiten om een rituele slacht uit te voeren maar dit dient altijd georganiseerd te worden binnen de religieuze gemeenschap. Deze duiding van de Raad van Europa blijkt ook uit het besproken EHRM-arrest Cha’are.
Hierin overweegt het EHRM enerzijds dat ritueel slachten een essentieel onderdeel is van de joodse godsdienst en valt onder het bereik van artikel 9 EVRM en anderzijds dat er in casu slechts dan sprake zou zijn van de schending van de godsdienstvrijheid, indien de individuele consumptie van koosjer vlees onmogelijk wordt gemaakt. Deze twee stellingen moeten in hun context worden begrepen. Die context houdt in dat het EHRM het niet in strijd heeft geacht met de godsdienstvrijheid indien de rituele slacht wordt gereguleerd en deze regulering plaatsvindt door een joodse meerderheidsorganisatie. Vanwege deze regulering staat de Franse staat alleen de joodse rituele slacht toe zoals die door de meerderheidsorganisatie wordt erkend. Daarmee accepteert het EHRM dat de joodse rituele slacht een collectief karakter krijgt. Immers, niet alle vormen van rituele slacht worden erkend maar enkel diegene die door de joodse meerderheid in Frankrijk worden erkend. Tegelijkertijd meent het EHRM dat het consumeren van ritueel geslacht vlees een individueel karakter heeft. Ieder rechtssubject heeft recht op het consumeren van naar eigen inzicht ritueel geslacht vlees. Dus ook vlees dat voldoet aan strengere religieuze eisen zoals de organisatie Cha’are voorstaat. Aldus wordt het consumeren van ritueel geslacht vlees door het EHRM subjectief uitgelegd (subjectiverende kwalificatie) in tegenstelling tot het ritueel slachten zelf dat objectief begrepen wordt als uiting van godsdienst op een wijze die voor de gehele joodse gemeenschap vastligt.
Er is weinig nationale rechtspraak geweest ten aanzien van de rituele slacht. Op grond van twee uitspraken, waarvan de eerste dateert uit 1969, kunnen we niet constateren op welke wijze de rechter het ritueel slachten kwalificeert als een godsdienstige gedraging.